Ga naar inhoud
Encyclopedie

Bijbelse dieren

Van het offerlam tot de Leviathan — ontdek de symbolische betekenis van meer dan 62dieren in de Bijbel, met Hebreeuwse en Griekse namen, Strong's-nummers en kernverzen.

62 dieren gevonden

Lam / SchaapREIN
כֶּבֶשׂ / שֶׂהαμνός / πρόβατονH3532

Het lam is het ultieme offerbeeld: onschuld, gehoorzaamheid en verzoening. Christus wordt het “Lam Gods” genoemd dat de zonde der wereld wegneemt.

GeitREIN
עֵזερίφιονH5795

De geit diende als zondoffer. De zondebok (azazel) werd de woestijn in gestuurd, beladen met de zonden van het volk.

Rund / OsREIN
שׁוֹר / בָּקָרH7794

Symbool van kracht, dienstbaarheid en offervaardigheid. De os die dorst mag niet gemuilkorfd worden — een beeld van rechtvaardige beloning.

EzelONREIN
חֲמוֹרὄνοςH2543

Lastdier van nederigheid en vrede. De Messias rijdt op een ezelsveulen Jeruzalem binnen — niet op een oorlogspaard maar als Vredevorst.

KameelONREIN
גָּמָלκάμηλοςH1581

Rijkdom en woestijnreis. Het bekende beeld van de kameel door het oog van de naald illustreert hoe moeilijk het voor rijken is het Koninkrijk binnen te gaan.

PaardONREIN
סוּסἵπποςH5483

Militaire macht en koninklijke pracht. God waarschuwt Israël niet op paarden te vertrouwen. In Openbaring rijdt Christus op een wit paard als Overwinnaar.

HondONREIN
כֶּלֶבκύωνH3611

In de Bijbel overwegend negatief: onreinheid, verachting, terugkeer naar eigen braaksel. De Syro-Fenicische vrouw keert het beeld om door haar nederig geloof.

Vos / JakhalsONREIN
שׁוּעָלαλώπηξH7776

Listigheid en verwoesting. Jezus noemt Herodes “die vos.” Kleine vossen bederven de wijngaard — een beeld van schijnbaar kleine zonden.

LeeuwONREIN
אֲרִיλέωνH738

Koninklijke macht, moed en majesteit. De Leeuw van Juda is een Messiaanse titel. Tegelijk staat de brullende leeuw voor de vijand die rondgaat.

BeerONREIN
דֹּבH1677

Woeste, beschermende kracht. De berin beroofd van haar jongen is een beeld van onstuitbare woede. David versloeg een beer als herder.

WolfONREIN
זְאֵבλύκοςH2061

Roofzucht en gevaar. Valse profeten zijn wolven in schaapskleren. In het Messiaanse vrederijk zal de wolf bij het lam liggen.

HertREIN
אַיָּלH354

Verlangen naar God, sierlijkheid en snelheid. “Gelijk het hert schreeuwt naar de waterstromen” is een van de bekendste Psalmbeelden.

GazelleREIN
צְבִיH6643

Schoonheid, snelheid en bevalligheid. In Hooglied een beeld van de geliefde, sierlijk en vluchtig als een gazelle op de bergen.

SteenbokREIN
יָעֵלH3277

Woestijndier dat op onbereikbare rotsplaatsen woont. Beeld van Gods zorg voor de verborgen schepping. David verborg zich in het steenbokkengebied.

Zwijn / VarkenONREIN
חֲזִירχοῖροςH2386

Het zwijn is het archetype van onreinheid. Een gouden ring in een varkenssnuit is als schoonheid zonder verstand. De verloren zoon hoedt varkens als dieptepunt.

HaasONREIN
אַרְנֶבֶתH768

Herkauwer zonder gespleten hoeven: onrein volgens de Thora. Genoemd in de spijswetten als voorbeeld van gedeeltelijke gehoorzaamheid.

MuisONREIN
עַכְבָּרH5909

Onrein klein dier. De Filistijnen maakten gouden muizen als schuldoffer na de plaag rond de ark.

VloONREIN
פַּרְעֹשׁH6550

David vergelijkt zichzelf met een vlo om zijn nietigheid tegenover koning Saul te benadrukken.

WormONREIN
תּוֹלֵעָהσκώληξH8438

Nietigheid en vernedering. “Ik ben een worm en geen man” (Psalm 22). In Jesaja symbool van eeuwig oordeel: “hun worm zal niet sterven.”

Adelaar / ArendONREIN
נֶשֶׁרαετόςH5404

Kracht, vernieuwing en Gods dragende zorg. “Wie den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden.”

DuifREIN
יוֹנָהπεριστεράH3123

Onschuld, vrede en de Heilige Geest. Noachs duif bracht het olijfblad. Bij Jezus’ doop daalde de Geest neer als een duif.

RaafONREIN
עֹרֵבκόραξH6158

Onrein maar door God gebruikt. God voedde Elia via raven. De raaf die Noach uitzond keerde niet terug — contrast met de trouwe duif.

MusREIN
צִפּוֹרστρουθίονH6833

Nietigheid die toch door God gekend en geteld wordt. Geen mus valt ter aarde zonder de wil van de Vader.

OoievaarONREIN
חֲסִידָהH2624

De naam betekent “de vrome” (chesed). Onrein als voedsel, maar beeld van trouwe ouderlijke zorg. Kent haar vaste tijden, anders dan het ongehoorzame volk.

PelikaanONREIN
קָאָתH6893

Woestijnvogel van eenzaamheid en rouw. “Ik ben een pelikaan der woestijn geworden” — beeld van diepe verlatenheid. In de christelijke traditie symbool van Christus’ zelfopoffering (de pelikaan die haar jongen met eigen bloed voedt).

StruisvogelONREIN
בַּת הַיַּעֲנָהH3284

Wreedheid en dwaasheid tegenover haar jongen. God onthield haar wijsheid, maar gaf haar ongekende snelheid.

UilONREIN
כּוֹסH3563

Bewoner van ruines, beeld van verlatenheid en oordeel. Waar uilen nestelen is ooit een stad gevallen.

HaanREIN
αλέκτωρG220

Waakzaamheid en berouw. Het kraaien van de haan herinnerde Petrus aan zijn verloochening — een roep tot bekering.

KwartelsREIN
שְׂלָוH7958

Gods voorziening in de woestijn, maar ook waarschuwing tegen begeerte. Het volk verlangde vlees en God zond kwartels — met een plaag als gevolg.

VisREIN
דָּגἰχθύςH1709

Overvloed en zegen. Vroege christenen gebruikten het visje (ichthus) als geheim symbool. Jezus’ wonderbare visvangst en de spijziging der vijfduizend.

Walvis (grote vis)ONREIN
דָּג גָּדוֹלκῆτοςH1709

De “grote vis” van Jona: goddelijk instrument van tucht en redding. Drie dagen in de buik als voorafschaduwing van Christus’ dood en opstanding.

SlangONREIN
נָחָשׁὄφιςH5175

Dubbelzinnig symbool: de oude slang is de verleider uit Eden, maar de koperen slang op de staak bracht genezing — een voorafschaduwing van het kruis.

SchorpioenONREIN
עַקְרָבσκορπίοςH6137

Gevaar en pijn. Rehabeam dreigt met schorpioenen in plaats van gesels. Jezus geeft Zijn discipelen macht om op schorpioenen te trappen.

KikkerONREIN
צְפַרְדֵּעַβάτραχοςH6854

Plaaginstrument van Gods oordeel over Egypte. In Openbaring komen onreine geesten als kikvorsen uit de mond van de draak.

Krokodil (Leviathan)ONREIN
לִוְיָתָןH3882

Het ontembare zeewezen dat alleen God beheerst. Uitvoerig beschreven in Job 41: pantser, vuurspuwen, onverslaanbaar — symbool van het chaoskwaad onder Gods macht.

Schildpad / HagedisONREIN
צָבH6632

Klein onrein kruipend dier. Sommige vertalingen lezen “schildpad,” andere “landkrokodil.” Behoort tot de onreine kruipende dieren.

SprinkhaanREIN
אַרְבֶּהακρίςH697

Plaag en oordeel, maar ook voedsel. Johannes de Doper at sprinkhanen met wilde honing. De achste plaag van Egypte verwoestte alles.

BijONREIN
דְּבוֹרָהH1682

Bijen leveren honing maar vallen ook aan als zwerm. Simson vond honing in het leeuwenkarkas: “uit de sterke kwam zoetigheid.”

MierONREIN
נְמָלָהH5244

Klein maar uiterst wijs. “Ga tot de mier, gij luiaard!” — het kleine diertje als leermeester in vlijt en vooruitziendheid. Verzamelt voedsel in de zomer zonder dat iemand haar aanstuurt.

MotONREIN
עָשׁσήςH6211

Vergankelijkheid en verval. Schatten op aarde worden door mot en roest verteerd — verzamel schatten in de hemel. Beeld van de vergankelijkheid van materieel bezit tegenover hemelse schatten.

Muggen / LuizenONREIN
כֵּןκώνωψH3654

Derde plaag van Egypte: stof werd tot muggen/luizen. Symbool van hoe God het kleinste inzet als oordeel. “Gij muggen uitzijgend en kamelen inzwelgend.”

LeviathanONREIN
לִוְיָתָןH3882

Het oer-zeemonster dat de chaoskrachten belichaamt. Alleen God kan het verslaan. Eschatologisch: in de eindtijd zal God Leviathan doden.

BehemothONREIN
בְּהֵמוֹתH930

Het machtigste landdier, door God geschapen als meesterwerk. “Hij is het beginsel van Gods wegen.” Ontembaar door mensen, volledig onder Gods heerschappij.

Draak / Zeemonster (tanin)ONREIN
תַּנִּיןδράκωνH8577

Zeemonsters geschapen op dag vijf. In profetisch taalgebruik verwijzend naar vijandelijke wereldmachten. De draak in Openbaring is de satan zelf.

Seraf / vurige slangONREIN
שָׂרָףH8314

Gevleugelde “vurige” wezens — als giftige woestijnslangen en als hemelse serafijnen bij Gods troon die “Heilig, heilig, heilig” roepen.

KlipdasONREIN
שָׁפָןH8227

Klein, zwak volk dat toch wijselijk zijn huis in de rotsen bouwt. Beeld van wijsheid ondanks geringe kracht.

Luipaard / PanterONREIN
נָמֵרπάρδαλιςH5246

Snelheid en roofzucht. “Kan een Moor zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken?” — beeld van onveranderlijke verdorvenheid.

Muilezel / MuildierONREIN
פֶּרֶדH6505

Koninklijk rijdier in het OT. Absalom hing aan een eik toen zijn muilezel onder hem doorreed. David liet Salomo op zijn eigen muildier rijden als teken van troonsopvolging.

HyenaONREIN
צָבוֹעַH6641

Bewoner van ruines, aasetend nachtdier. De hyena wordt indirect genoemd via het Tseboim-dal (“Hyena-vallei”). Symbool van de woestenij en verwildering die ongehoorzaamheid brengt.

Sperwer / HavikONREIN
נֵץH5322

Roofvogel met scherp zicht. God wijst Job op de havik: “Is het door uw verstand dat de havik vliegt en zijn vleugels uitbreidt naar het zuiden?”

ZwaluwREIN
סוּס / דְּרוֹרH5693

Zwaluw en kransvogel nestelen bij Gods altaar. Beeld van verlangen naar het huis des HEEREN en van rusteloze vlucht.

TortelduifREIN
תּוֹרH8449

Offer van de armen en beeld van liefde. Maria en Jozef brachten tortelduiven als offer na Jezus’ geboorte — teken van hun armoede.

VliegenONREIN
זְבוּבΒεελζεβούλH2070

Baäl-Zebub, “heer der vliegen,” was de god van Ekron. Jezus’ tegenstanders noemden Hem Beëlzebul — een bittere belediging.

WezelONREIN
חֹלֶדH2467

Onrein dier in de rij van kruipende wezens. Sommige vertalingen lezen “mol” i.p.v. wezel.

Tachasj (zeeschildpad / zeekoe)ONREIN
תַּחֲשׁH8476

Het “tachasj”-vel bedekte de tabernakel. De precieze diersoort is onzeker — mogelijk zeekoe, dolfijn, of zeeschildpad.

Nachtuil / OehoeONREIN
יַנְשׁוּףH3244

Onreine roofvogel van de nacht. Symbool van eenzaamheid en verwoesting — huist in de ruïnes van verlaten steden.

PatrijsONREIN
קֹרֵאH7124

De patrijs broedt eieren uit die zij niet gelegd heeft — beeld van wie onrechtmatig rijkdom vergaart.

Ibis / OoievaarONREIN
חֲסִידָהH2624

De chasidah (“trouwe”) kent haar vastgestelde tijden — maar Gods volk kent het recht des HEEREN niet (Jer. 8:7).

MugONREIN
κώνωψG2971

Farizeërs ziften de mug uit maar slikken de kameel door — Jezus’ scherpe illustratie van geestelijke blindheid voor hoofdzaken.

Adder / BasiliskONREIN
צֶפַעH6848

De giftige tsepha (basilisk) en pethen (adder) vertegenwoordigen dodelijk gevaar. Jesaja profeteert dat een kind bij hun hol speelt in het messiaanse vrederijk.

Wilde os / ReëmREIN
רְאֵםH7214

Het reëm is een krachtig, ontembaar wild dier — mogelijk de uitgestorven oeros. Symbool van ongebreidelde kracht, soms van vijandige machten.

Klipdas / KonijnONREIN
שָׁפָןH8227

Klein maar wijs volk dat in de rotsspleten woont. Hoewel zwak, zoeken ze beschutting op de veiligste plek.