Symbool van reiniging, leven en de Heilige Geest. Water wast zonde weg en geeft nieuw leven, zoals bij de doop.
Gods aanwezigheid, loutering en oordeel. Vuur zuivert het onzuivere en verteert het onheilige.
Waarheid, goedheid en Gods openbaring. Licht verdrijft duisternis en wijst de weg.
Zonde, onwetendheid en scheiding van God. Duisternis staat tegenover het licht van Gods waarheid.
Gods aanwezigheid en leiding. De wolkkolom leidde Israel door de woestijn en bedekte de tabernakel.
Gods verbondstrouw en genade. Teken van het verbond met Noach dat God de aarde niet opnieuw door water zal verdelgen. Rond de troon in Openbaring straalt een regenboog als smaragd.
De Geest van God (ruach). Wind is onzichtbaar maar krachtig, zoals de werking van de Heilige Geest.
Stevigheid, bescherming en betrouwbaarheid van God. Christus is de geestelijke Rots.
De mens (adam van adama) en vergankelijkheid. Tegelijk belofte: de zachtmoedigen zullen het aardrijk beerven.
Beproeving, loutering en ontmoeting met God. In de leegte van de woestijn spreekt God tot het hart.
Onschuld en offer. Het Lam Gods draagt de zonden van de wereld weg, vervulling van het Paaslam.
Koninklijke macht en moed. De Leeuw van Juda is een messiaanse titel; tevens beeld van de brullende satan.
Vrede, reinheid en de Heilige Geest. De duif daalde neer bij de doop van Jezus.
Verleiding, list en de satan. De slang in Eden verleidt de mens; de koperen slang in de woestijn wijst vooruit naar Christus.
Kracht, vernieuwing en Gods bescherming. Op adelaarsvleugelen draagt God Zijn volk.
Overvloed en discipelschap. Jezus roept vissers om mensenvissers te worden.
Oorlog, macht en menselijk vertrouwen. Gods volk moet niet op paarden vertrouwen maar op de HEERE.
Verlangen naar God en geestelijke dorst. Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo verlangt de ziel naar God.
Israel en Christus. Jezus noemt Zichzelf de ware Wijnstok; de ranken moeten in Hem blijven om vrucht te dragen.
Vrede, voorspoed en Israel als natie. Een bloeiende vijgenboom betekent herstel; een verdorrende wijst op oordeel.
Gods volk, zalving en vruchtbaarheid. De twee olijfbomen in Zacharia symboliseren de gezalfden die voor God staan.
Majesteit, kracht en duurzaamheid. Ceders van de Libanon staan voor koninklijke grootheid.
Reiniging en nederigheid. Hysop werd gebruikt bij de reiniging van melaatsheid en bij het Pascha.
Vruchtbaarheid, het Woord van God en de gelovigen. De tarwekorrel moet sterven om veel vrucht voort te brengen.
Vloek, zonde en lijden. Doornen kwamen na de zondeval; de doornenkroon op Jezus' hoofd droeg de vloek.
Klein begin met grote uitwerking. Het kleinste zaad groeit uit tot een grote boom — beeld van het Koninkrijk Gods.
Gods Woord is het zwaard van de Geest. Het tweesnijdend scherp zwaard scheidt ziel en geest, merg en been — waarheid van leugen, oordeel en geestelijke strijd.
Koninklijke autoriteit, overwinning en eeuwige beloning. Gelovigen ontvangen een onverwelkelijke kroon.
Gods soevereiniteit en heerschappij. De troon in de hemel is het centrum van alle gezag.
Gods roepstem, oorlogsverklaring en de aankondiging van het einde. De laatste bazuin kondigt de opstanding aan.
Autoriteit, eigendom en verzegeling. Gods Geest verzegelt de gelovigen als eigendom; het boek met zeven zegels bevat Gods raadsplan.
Gods Woord en raadsplan. De boekrol bevat het geopenbaarde woord en het verborgen plan van God.
Autoriteit om te openen en te sluiten. De sleutels van het Koninkrijk en de sleutels van dood en hades.
Onderwerping, dienstbaarheid en verbinding. Jezus’ juk is zacht en Zijn last is licht. Ongelijk juk: niet verbonden met ongelovigen.
Het vangen van mensen — zowel de evangelieverkondiging als de val van de goddelozen.
Onschatbare waarde van het Koninkrijk der hemelen. De koopman verkoopt alles voor die ene parel.
Gods Woord als leidraad en geestelijke waakzaamheid. De lampen van de wijze maagden brandden.
Gods lot — zegen of oordeel. De beker van het Nieuwe Verbond bevat het bloed van Christus.
Gods bescherming en het geloof. Het schild des geloofs blust alle vurige pijlen van de boze.
Reinheid, heiligheid en overwinning. De witte klederen van de heiligen zijn gewassen in het bloed van het Lam.
Zonde en koninklijk vermogen. Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw. Scharlaken kleedde zowel de hogepriester als de spotmantel van Jezus. De scharlakenrode draad van Rachab.
Koninklijke waardigheid en rijkdom. De rijke man droeg purper en fijn linnen. Jezus werd een purperen mantel omgedaan als spot-koning. Purper was kostbaar en werd gedragen door koningen.
Hemelse oorsprong en gehoorzaamheid aan Gods geboden. De blauwe draad in de tzitzit herinnert aan alle geboden.
Goddelijke natuur, geloof dat beproefd is, en hemelse heerlijkheid. De straten van het Nieuw Jeruzalem zijn van goud.
Verlossing, loskoping en gelouterd woord. De prijs van een slaaf en de dertig zilverlingen voor de verrading.
Oordeel en standvastigheid. Het koperen altaar stond voor verzoening door oordeel; de voeten van Christus als blinkend koper.
Kracht, hardheid en onderdrukking. De ijzeren staf van de Messias regeert de volken.
De Heilige Geest, zalving en genezing. Olie werd uitgegoten over koningen, priesters en profeten.
Verbond, bewaring en smaak. Gelovigen zijn het zout der aarde; een zoutverbond is onverbrekelijk.
Gebed en aanbidding. De oprijzende rook symboliseert gebeden die opstijgen naar Gods troon.
Lijden, dood en begraving. Mirre werd bij de geboorte en de begrafenis van Jezus geschonken.
Gerechtigheid en reinheid van de heiligen. De bruid van het Lam draagt blinkend fijn lijnwaad.
Zonde en verdorvenheid die zich ongemerkt verspreidt. Maar ook de doorwerking van het Koninkrijk in positieve zin.
Leven, verzoening en het Nieuwe Verbond. Zonder bloedstorting is er geen vergeving.
Kracht, autoriteit en zegen. Gods rechterhand is verheven; handoplegging draagt zegen en gezag over.
Het oog is de lamp van het lichaam. Een goed oog = vrijgevigheid; een boos oog = hebzucht. Gods ogen doorlopen de hele aarde — inzicht, waakzaamheid en Gods alziend oog.
Het binnenste van de mens: wil, verstand en emotie. God kijkt naar het hart, niet naar het uiterlijk.
Kracht, koninklijke macht en verlossing. De hoorn van het heil wijst op de Messias.
Gods woonplaats bij de mens. Het lichaam van de gelovige is een tempel van de Heilige Geest.
Ontmoetingsplaats met God door offer. Op het altaar wordt het offer gebracht dat verzoening doet.
Toegang, rechtspraak en geestelijke autoriteit. De oudsten zaten in de poort. Jezus is de Deur; de poorten der hel zullen de gemeente niet overweldigen.
Christus als fundament en sluitsteen van Gods bouwwerk. De steen die de bouwlieden verwierpen.
Vastheid, fundament en steun. Jakin en Boaz stonden bij de tempel; de gemeente is pilaar en vastigheid der waarheid. De wolkkolom als pilaar van Gods tegenwoordigheid.
Leven, wijsheid en de Heilige Geest. Een bron van levend water stroomt uit het binnenste van de gelovige.
Levenswandel en gehoorzaamheid. Christus is de Weg, de Waarheid en het Leven.
Bescherming, overzicht en menselijke hoogmoed. De toren van Babel staat tegenover de vaste toren van Gods Naam.
Levensonderhoud en het Woord van God. Jezus is het Brood des Levens dat uit de hemel is neergedaald.
Vreugde, het Nieuwe Verbond en Gods toorn. De wijn van het avondmaal is het bloed van het verbond.
Het Woord van God en nageslacht. Het zaad valt in de aarde en brengt veelvoudige vrucht voort.
Het einde der tijden, oordeel en de inzameling van gelovigen. De oogst is groot, maar de arbeiders zijn weinigen.
Het eerste en beste voor God. Christus is de Eersteling van hen die ontslapen zijn.
Het Koninkrijk der hemelen en geestelijke rijkdom. Verzamel schatten in de hemel, niet op aarde.
Leiderschap, zorg en bescherming. De HEERE is mijn Herder; Jezus is de goede Herder die Zijn leven geeft.
Hoop als anker der ziel — vast en onbewegelijk, reikend tot achter het voorhangsel waar Jezus als Voorloper is binnengegaan.
De wet als spiegel: wie hoort maar niet doet, is als iemand die zijn gezicht in een spiegel beziet en weggaat.
Goddelijke openbaring en leiding. Tussen de stukken van Abrahams verbondsoffer ging een vurige fakkel door. De wijze maagden hadden brandende fakkels.
Zegen, leer en de uitstorting van de Heilige Geest. De vroege en late regen zijn nodig voor de oogst — beeld van geestelijke vernieuwing.
Gods stem en oordeel. Bij de Sinaï donderde het. De zeven donderslagen in Openbaring spraken met verzegelde woorden.
Stille, verfrissende zegen. De dauw van Hermon daalt neer op Sions bergen — waar de HEERE de zegen gebiedt.
Macht van het woord. De tong is een klein lid maar richt groot kwaad aan. Dood en leven zijn in de macht der tong.
Wandel en levenswandel. De voeten geschoeid met de bereidheid van het evangelie. Hoe lieflijk zijn de voeten van de vredebode.
Bescherming en afscheiding. De muren van Jeruzalem als veiligheid; de muur van vijandschap die Christus heeft afgebroken.
Schoonheid zonder menselijke inspanning. Zelfs Salomo was niet bekleed als een van deze. De geliefde weidt onder de leliën.
Oordeel en lijden. De wijnpers van Gods toorn in Openbaring. Jezus trad de pers alleen — niemand hielp Hem.