NEVIIM

Zacharia 10

זְכַרְיָה
Hoofdstukken (14)
1234567891011121314
Getuigen
Interlineair
1
שַׁאֲל֨וּ מֵ/יְהוָ֤ה מָטָר֙ בְּ/עֵ֣ת מַלְק֔וֹשׁ יְהוָ֖ה עֹשֶׂ֣ה חֲזִיזִ֑ים וּ/מְטַר גֶּ֨שֶׁם֙ יִתֵּ֣ן לָ/הֶ֔ם לְ/אִ֖ישׁ עֵ֥שֶׂב בַּ/שָּׂדֶֽה
STATEN

Begeert van den HEERE regen, ten tijde des spaden regens; de HEERE maakt de weerlichten; en Hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld.

2
כִּ֧י הַ/תְּרָפִ֣ים דִּבְּרוּ אָ֗וֶן וְ/הַ/קּֽוֹסְמִים֙ חָ֣זוּ שֶׁ֔קֶר וַֽ/חֲלֹמוֹת֙ הַ/שָּׁ֣וא יְדַבֵּ֔רוּ הֶ֖בֶל יְנַֽחֵמ֑וּ/ן עַל כֵּן֙ נָסְע֣וּ כְמוֹ צֹ֔אן יַעֲנ֖וּ כִּֽי אֵ֥ין רֹעֶֽה
STATEN

Want de terafim spreken ijdelheid, en de waarzeggers zien valsheid, en zij spreken ijdele dromen, zij troosten met ijdelheid; daarom zijn zij henengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden; want er was geen herder.

3
עַל הָֽ/רֹעִים֙ חָרָ֣ה אַפִּ֔/י וְ/עַל הָ/עַתּוּדִ֖ים אֶפְק֑וֹד כִּֽי פָקַד֩ יְהוָ֨ה צְבָא֤וֹת אֶת עֶדְר/וֹ֙ אֶת בֵּ֣ית יְהוּדָ֔ה וְ/שָׂ֣ם אוֹתָ֔/ם כְּ/ס֥וּס הוֹד֖/וֹ בַּ/מִּלְחָמָֽה
STATEN

Tegen de herders was Mijn toorn ontstoken, en over de bokken heb Ik bezoeking gedaan; maar de HEERE der heirscharen zal Zijn kudde bezoeken, het huis van Juda, en Hij zal hen stellen, gelijk het paard Zijner majesteit in den strijd.

4
מִמֶּ֤/נּוּ פִנָּה֙ מִמֶּ֣/נּוּ יָתֵ֔ד מִמֶּ֖/נּוּ קֶ֣שֶׁת מִלְחָמָ֑ה מִמֶּ֛/נּוּ יֵצֵ֥א כָל נוֹגֵ֖שׂ יַחְדָּֽו
STATEN

Van hetzelve zal de hoeksteen, van hetzelve zal de nagel, van hetzelve zal de strijdboog, te zamen zullen van hetzelve alle drijvers voortkomen.

5
וְ/הָי֨וּ כְ/גִבֹּרִ֜ים בּוֹסִ֨ים בְּ/טִ֤יט חוּצוֹת֙ בַּ/מִּלְחָמָ֔ה וְ/נִ֨לְחֲמ֔וּ כִּ֥י יְהוָ֖ה עִמָּ֑/ם וְ/הֹבִ֖ישׁוּ רֹכְבֵ֥י סוּסִֽים
STATEN

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de HEERE zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

6
וְ/גִבַּרְתִּ֣י אֶת בֵּ֣ית יְהוּדָ֗ה וְ/אֶת בֵּ֤ית יוֹסֵף֙ אוֹשִׁ֔יעַ וְ/הֽוֹשְׁבוֹתִי/ם֙ כִּ֣י רִֽחַמְתִּ֔י/ם וְ/הָי֖וּ כַּ/אֲשֶׁ֣ר לֹֽא זְנַחְתִּ֑י/ם כִּ֗י אֲנִ֛י יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/הֶ֖ם וְ/אֶעֱנֵֽ/ם
STATEN

En Ik zal het huis van Juda versterken, en het huis van Jozef zal Ik behouden, en Ik zal hen weder inzetten; want Ik heb Mij hunner ontfermd, en zij zullen wezen, alsof Ik hen niet verstoten had; want Ik ben de HEERE, hun God, en Ik zal ze verhoren.

7
וְ/הָי֤וּ כְ/גִבּוֹר֙ אֶפְרַ֔יִם וְ/שָׂמַ֥ח לִבָּ֖/ם כְּמוֹ יָ֑יִן וּ/בְנֵי/הֶם֙ יִרְא֣וּ וְ/שָׂמֵ֔חוּ יָגֵ֥ל לִבָּ֖/ם בַּ/יהוָֽה
STATEN

En zij zullen zijn als een held van Efraïm, en hun hart zal zich verblijden, als van den wijn; en hun kinderen zullen het zien, en zich verblijden, hun hart zal zich verheugen in den HEERE.

8
אֶשְׁרְקָ֥ה לָ/הֶ֛ם וַ/אֲקַבְּצֵ֖/ם כִּ֣י פְדִיתִ֑י/ם וְ/רָב֖וּ כְּמ֥וֹ רָבֽוּ
STATEN

Ik zal hen toesissen, en zal ze vergaderen, want Ik zal ze verlossen; en zij zullen vermenigvuldigd worden, gelijk zij te voren vermenigvuldigd waren.

9
וְ/אֶזְרָעֵ/ם֙ בָּֽ/עַמִּ֔ים וּ/בַ/מֶּרְחַקִּ֖ים יִזְכְּר֑וּ/נִי וְ/חָי֥וּ אֶת בְּנֵי/הֶ֖ם וָ/שָֽׁבוּ
STATEN

En Ik zal hen onder de volken zaaien, en zij zullen Mijner gedenken in verre plaatsen; en zij zullen leven met hun kinderen, en wederkeren.

10
וַ/הֲשִֽׁיבוֹתִי/ם֙ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם וּ/מֵֽ/אַשּׁ֖וּר אֲקַבְּצֵ֑/ם וְ/אֶל אֶ֨רֶץ גִּלְעָ֤ד וּ/לְבָנוֹן֙ אֲבִיאֵ֔/ם וְ/לֹ֥א יִמָּצֵ֖א לָ/הֶֽם
STATEN

Want Ik zal ze wederbrengen uit Egypteland, en Ik zal ze vergaderen uit Assyrië; en Ik zal ze in het land van Gilead en Libanon brengen, maar het zal hun niet genoeg wezen.

11
וְ/עָבַ֨ר בַּ/יָּ֜ם צָרָ֗ה וְ/הִכָּ֤ה בַ/יָּם֙ גַּלִּ֔ים וְ/הֹבִ֕ישׁוּ כֹּ֖ל מְצוּל֣וֹת יְאֹ֑ר וְ/הוּרַד֙ גְּא֣וֹן אַשּׁ֔וּר וְ/שֵׁ֥בֶט מִצְרַ֖יִם יָסֽוּר
STATEN

En Hij zal door de zee gaan, die benauwende, en Hij zal de golven in de zee slaan, en al de diepten der rivier zullen verdrogen; dan zal de hoogmoed van Assur nedergeworpen worden, en de schepter van Egypte zal wegwijken.

12
וְ/גִבַּרְתִּי/ם֙ בַּֽ/יהוָ֔ה וּ/בִ/שְׁמ֖/וֹ יִתְהַלָּ֑כוּ נְאֻ֖ם יְהוָֽה
STATEN

En Ik zal hen sterken in den HEERE, en in Zijn Naam zullen zij wandelen, spreekt de HEERE.