Ga naar inhoud
NEVIIM

Zacharia 6

זְכַרְיָה
Hoofdstukken (14)← → toetsen
1234567891011121314
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וָ/אָשֻׁ֗ב וָ/אֶשָּׂ֤א עֵינַ/י֙ וָֽ/אֶרְאֶ֔ה וְ/הִנֵּ֨ה אַרְבַּ֤ע מַרְכָּבוֹת֙ יֹֽצְא֔וֹת מִ/בֵּ֖ין שְׁנֵ֣י הֶֽ/הָרִ֑ים וְ/הֶ/הָרִ֖ים הָרֵ֥י נְחֹֽשֶׁת׃
STATEN

En ik hief mijn ogen weder op, en ik zag; en ziet, vier wagens gingen er uit van tussen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper.

2
בַּ/מֶּרְכָּבָ֥ה הָ/רִֽאשֹׁנָ֖ה סוּסִ֣ים אֲדֻמִּ֑ים וּ/בַ/מֶּרְכָּבָ֥ה הַ/שֵּׁנִ֖ית סוּסִ֥ים שְׁחֹרִֽים׃
STATEN

Aan den eersten wagen waren rode paarden; en aan den tweeden wagen waren zwarte paarden.

3
וּ/בַ/מֶּרְכָּבָ֥ה הַ/שְּׁלִשִׁ֖ית סוּסִ֣ים לְבָנִ֑ים וּ/בַ/מֶּרְכָּבָה֙ הָ/רְבִעִ֔ית סוּסִ֥ים בְּרֻדִּ֖ים אֲמֻצִּֽים׃
STATEN

En aan den derden wagen witte paarden; en aan den vierden wagen hagelvlekkige paarden, die sterk waren.

4
וָ/אַ֨עַן֙ וָֽ/אֹמַ֔ר אֶל הַ/מַּלְאָ֖ךְ הַ/דֹּבֵ֣ר בִּ֑/י מָה אֵ֖לֶּה אֲדֹנִֽ/י־־׃
STATEN

En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Heere?

5
וַ/יַּ֥עַן הַ/מַּלְאָ֖ךְ וַ/יֹּ֣אמֶר אֵלָ֑/י אֵ֗לֶּה אַרְבַּע֙ רֻח֣וֹת הַ/שָּׁמַ֔יִם יוֹצְא֕וֹת מֵֽ/הִתְיַצֵּ֖ב עַל אֲד֥וֹן כָּל הָ/אָֽרֶץ־־׃
STATEN

En de Engel antwoordde, en zeide tot mij: Deze zijn de vier winden des hemels, uitgaande van daar zij stonden voor den Heere der ganse aarde.

6
אֲשֶׁר בָּ֞/הּ הַ/סּוּסִ֣ים הַ/שְּׁחֹרִ֗ים יֹֽצְאִים֙ אֶל אֶ֣רֶץ צָפ֔וֹן וְ/הַ/לְּבָנִ֔ים יָצְא֖וּ אֶל אַֽחֲרֵי/הֶ֑ם וְ/הַ֨/בְּרֻדִּ֔ים יָצְא֖וּ אֶל אֶ֥רֶץ הַ/תֵּימָֽן־־־־׃
STATEN

Aan welken wagen de zwarte paarden zijn, die paarden gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, dezelve achterna; en de hagelvlekkige gaan uit naar het Zuiderland.

7
וְ/הָ/אֲמֻצִּ֣ים יָצְא֗וּ וַ/יְבַקְשׁוּ֙ לָ/לֶ֨כֶת֙ לְ/הִתְהַלֵּ֣ך בָּ/אָ֔רֶץ וַ/יֹּ֕אמֶר לְכ֖וּ הִתְהַלְּכ֣וּ בָ/אָ֑רֶץ וַ/תִּתְהַלַּ֖כְנָה בָּ/אָֽרֶץ׃
STATEN

En die sterke paarden gingen uit, en zochten voort te gaan, om het land te doorwandelen; want Hij had gezegd: Gaat heen, doorwandelt het land. En zij doorwandelden het land.

8
וַ/יַּזְעֵ֣ק אֹתִ֔/י וַ/יְדַבֵּ֥ר אֵלַ֖/י לֵ/אמֹ֑ר רְאֵ֗ה הַ/יּֽוֹצְאִים֙ אֶל אֶ֣רֶץ צָפ֔וֹן הֵנִ֥יחוּ אֶת רוּחִ֖/י בְּ/אֶ֥רֶץ צָפֽוֹן־־׃ס
STATEN

En Hij riep mij, en sprak tot mij, zeggende: Zie, deze, die uitgegaan zijn naar het Noorderland, hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland.

9
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN

En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

10
לָק֨וֹחַ֙ מֵ/אֵ֣ת הַ/גּוֹלָ֔ה מֵ/חֶלְדַּ֕י וּ/מֵ/אֵ֥ת טוֹבִיָּ֖ה וּ/מֵ/אֵ֣ת יְדַֽעְיָ֑ה וּ/בָאתָ֤ אַתָּה֙ בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֔וּא וּ/בָ֗אתָ בֵּ֚ית יֹאשִׁיָּ֣ה בֶן צְפַנְיָ֔ה אֲשֶׁר בָּ֖אוּ מִ/בָּבֶֽל־־׃
STATEN

Neem van de gevankelijk weggevoerden van Cheldaï, van Tobía, en van Jedája, en kom gij te dien dage, en ga in ten huize van Josía, den zoon van Zefánja, dewelke uit Babel gekomen zijn;

11
וְ/לָקַחְתָּ֥ כֶֽסֶף וְ/זָהָ֖ב וְ/עָשִׂ֣יתָ עֲטָר֑וֹת וְ/שַׂמְתָּ֗ בְּ/רֹ֛אשׁ יְהוֹשֻׁ֥עַ בֶּן יְהוֹצָדָ֖ק הַ/כֹּהֵ֥ן הַ/גָּדֽוֹל־־׃
STATEN

Te weten, neem zilver en goud, en maak kronen; en zet ze op het hoofd van Jósua, den zoon van Józadak, den hogepriester.

12
וְ/אָמַרְתָּ֤ אֵלָי/ו֙ לֵ/אמֹ֔ר כֹּ֥ה אָמַ֛ר יְהוָ֥ה צְבָא֖וֹת לֵ/אמֹ֑ר הִנֵּה אִ֞ישׁ צֶ֤מַח שְׁמ/וֹ֙ וּ/מִ/תַּחְתָּ֣י/ו יִצְמָ֔ח וּ/בָנָ֖ה אֶת הֵיכַ֥ל יְהוָֽהּ־־׃
STATEN

En spreek tot hem, zeggende: Alzo spreekt de HEERE der heirscharen, zeggende: Ziet, een Man, Wiens Naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal des HEEREN tempel bouwen.

Op De Naamdragers

Blogs over Zacharia 6

Nog geen artikelen die specifiek naar Zacharia 6 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →