Ga naar inhoud
NEVIIM

Zefanja 3

צְפַנְיָה
Hoofdstukken (3)← → toetsen
123
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
ה֥וֹי מֹרְאָ֖ה וְ/נִגְאָלָ֑ה הָ/עִ֖יר הַ/יּוֹנָֽה׃
STATEN

Wee der ijselijke, en der bevlekte, der verdrukkende stad!

2
לֹ֤א שָֽׁמְעָה֙ בְּ/ק֔וֹל לֹ֥א לָקְחָ֖ה מוּסָ֑ר בַּֽ/יהוָה֙ לֹ֣א בָטָ֔חָה אֶל אֱלֹהֶ֖י/הָ לֹ֥א קָרֵֽבָה־׃
STATEN

Zij hoort naar de stem niet; zij neemt de tucht niet aan; zij vertrouwt niet op den HEERE; tot haar God nadert zij niet.

3
שָׂרֶ֣י/הָ בְ/קִרְבָּ֔/הּ אֲרָי֖וֹת שֹֽׁאֲגִ֑ים שֹׁפְטֶ֨י/הָ֙ זְאֵ֣בֵי עֶ֔רֶב לֹ֥א גָרְמ֖וּ לַ/בֹּֽקֶר׃
STATEN

Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan den morgen.

4
נְבִיאֶ֨י/הָ֙ פֹּֽחֲזִ֔ים אַנְשֵׁ֖י בֹּֽגְד֑וֹת כֹּהֲנֶ֨י/הָ֙ חִלְּלוּ קֹ֔דֶשׁ חָמְס֖וּ תּוֹרָֽה־׃
STATEN

Haar profeten zijn lichtvaardig, gans trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen der wet geweld aan.

5
יְהוָ֤ה צַדִּיק֙ בְּ/קִרְבָּ֔/הּ לֹ֥א יַעֲשֶׂ֖ה עַוְלָ֑ה בַּ/בֹּ֨קֶר בַּ/בֹּ֜קֶר מִשְׁפָּט֨/וֹ יִתֵּ֤ן לָ/אוֹר֙ לֹ֣א נֶעְדָּ֔ר וְ/לֹֽא יוֹדֵ֥עַ עַוָּ֖ל בֹּֽשֶׁת־׃
STATEN

De rechtvaardige HEERE is in het midden van haar, Hij doet geen onrecht; allen morgen geeft Hij Zijn recht in het licht, er ontbreekt niet; doch de verkeerde weet van geen schaamte.

6
הִכְרַ֣תִּי גוֹיִ֗ם נָשַׁ֨מּוּ֙ פִּנּוֹתָ֔/ם הֶחֱרַ֥בְתִּי חֽוּצוֹתָ֖/ם מִ/בְּלִ֣י עוֹבֵ֑ר נִצְדּ֧וּ עָרֵי/הֶ֛ם מִ/בְּלִי אִ֖ישׁ מֵ/אֵ֥ין יוֹשֵֽׁב־׃
STATEN

Ik heb de heidenen uitgeroeid, hun hoeken zijn verwoest, Ik heb hun straten eenzaam gemaakt, dat niemand daardoor gaat; hun steden zijn verstoord, zodat er niemand is, dat er geen inwoner is.

7
אָמַ֜רְתִּי אַךְ תִּירְאִ֤י אוֹתִ/י֙ תִּקְחִ֣י מוּסָ֔ר וְ/לֹֽא יִכָּרֵ֣ת מְעוֹנָ֔/הּ כֹּ֥ל אֲשֶׁר פָּקַ֖דְתִּי עָלֶ֑י/הָ אָכֵן֙ הִשְׁכִּ֣ימוּ הִשְׁחִ֔יתוּ כֹּ֖ל עֲלִילוֹתָֽ/ם־־־׃
STATEN

Ik zeide: Immers zult gij Mij vrezen, gij zult de tucht aannemen, opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden; al wat Ik haar bezocht hebbe, waarlijk, zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben al hun handelingen verdorven.

8
לָ/כֵ֤ן חַכּוּ לִ/י֙ נְאֻם יְהוָ֔ה לְ/י֖וֹם קוּמִ֣/י לְ/עַ֑ד כִּ֣י מִשְׁפָּטִ/י֩ לֶ/אֱסֹ֨ף גּוֹיִ֜ם לְ/קָבְצִ֣/י מַמְלָכ֗וֹת לִ/שְׁפֹּ֨ךְ עֲלֵי/הֶ֤ם זַעְמִ/י֙ כֹּ֚ל חֲר֣וֹן אַפִּ֔/י כִּ֚י בְּ/אֵ֣שׁ קִנְאָתִ֔/י תֵּאָכֵ֖ל כָּל הָ/אָֽרֶץ־־־׃
STATEN

Daarom verwacht Mij, spreekt de HEERE, ten dage als Ik Mij opmake tot den roof; want Mijn oordeel is, de heidenen te verzamelen, de koninkrijken te vergaderen, om over hen Mijn gramschap, de ganse hittigheid Mijns toorns uit te storten, want dit ganse land zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden.

9
כִּֽי אָ֛ז אֶהְפֹּ֥ךְ אֶל עַמִּ֖ים שָׂפָ֣ה בְרוּרָ֑ה לִ/קְרֹ֤א כֻלָּ/ם֙ בְּ/שֵׁ֣ם יְהוָ֔ה לְ/עָבְד֖/וֹ שְׁכֶ֥ם אֶחָֽד־־׃
STATEN

Gewisselijk, dan zal Ik tot de volken een reine spraak wenden; opdat zij allen den Naam des HEEREN aanroepen, opdat zij Hem dienen met een eenparigen schouder.

10
מֵ/עֵ֖בֶר לְ/נַֽהֲרֵי כ֑וּשׁ עֲתָרַ/י֙ בַּת פוּצַ֔/י יוֹבִל֖וּ/ן מִנְחָתִֽ/י־־׃
STATEN

Van de zijden der rivieren der Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter Mijner verstrooiden, Mijn offeranden brengen.

11
בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֗וּא לֹ֤א תֵב֨וֹשִׁי֙ מִ/כֹּ֣ל עֲלִילֹתַ֔יִ/ךְ אֲשֶׁ֥ר פָּשַׁ֖עַתְּ בִּ֑/י כִּי אָ֣ז אָסִ֣יר מִ/קִּרְבֵּ֗/ךְ עַלִּיזֵי֙ גַּאֲוָתֵ֔/ךְ וְ/לֹֽא תוֹסִ֧פִי לְ/גָבְהָ֛ה ע֖וֹד בְּ/הַ֥ר קָדְשִֽׁ/י־׀־׃
STATEN

Te dien dage zult gij niet beschaamd wezen vanwege al uw handelingen, waarmede gij tegen Mij overtreden hebt; want alsdan zal Ik uit het midden van u wegnemen, die van vreugde opspringen over uw hovaardij, en gij zult u voortaan niet meer verheffen om Mijns heiligen bergs wil.

12
וְ/הִשְׁאַרְתִּ֣י בְ/קִרְבֵּ֔/ךְ עַ֥ם עָנִ֖י וָ/דָ֑ל וְ/חָס֖וּ בְּ/שֵׁ֥ם יְהוָֽה׃
STATEN

Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen.

Op De Naamdragers

Blogs over Zefanja 3

Nog geen artikelen die specifiek naar Zefanja 3 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →