Ga naar inhoud
Encyclopedie

Bijbelse planten

Van de cederboom van de Libanon tot het mosterdzaad — ontdek de symbolische betekenis van meer dan 55planten in de Bijbel, met Hebreeuwse en Griekse namen, Strong's-nummers en kernverzen.

55 planten gevonden

Olijfboom
זַיִתἐλαίαH2132

Vrede, zalving en verbondstrouw. Israël is als een olijfboom geplant door God. De olijfberg is de plaats van Jezus’ hemelvaart en wederkomst.

Vijgenboom
תְּאֵנָהσυκῆH8384

Vruchtbaarheid, vrede en oordeel. Onder de vijgenboom zitten = Messiaanse vrede. De onvruchtbare vijgenboom die Jezus vervloekte symboliseert een vruchteloos Israël.

Wijnstok
גֶּפֶןἄμπελοςH1612

Israël als Gods wijngaard, en Christus als de ware Wijnstok. Zonder Hem dragen de ranken geen vrucht. De wijn is ook beeld van vreugde en verbondsbloed.

Cederboom van de Libanon
אֶרֶזH730

Koninklijke majesteit, kracht en duurzaamheid. De tempel werd met cederhout gebouwd. De rechtvaardige zal groeien als een ceder op de Libanon.

Eik / Terebint
אֵלָה / אַלּוֹןH424

Kracht, heilige plaatsen en verbondsmomenten. Abraham ontving engelen bij de eiken van Mamre. Absalom hing vast in een eik.

Palmboom (dadelpalm)
תָּמָרφοῖνιξH8558

Overwinning, gerechtigheid en veerkracht. De rechtvaardige zal groeien als een palmboom. Palmtakken bij Jezus’ intocht en in Openbaring voor de troon.

Amandelboom
שָׁקֵדH8247

De “waker” — eerste boom die in de lente bloeit. God zei tot Jeremia: “Ik waak (shoked) over Mijn woord.” De kandelaar had amandelbloesem-versieringen.

Moerbeiboom / Sycomore
בְּכָאσυκομορέαH1057

Gewone boom van het volk. Zacheüs klom in een sycomore om Jezus te zien. Amos was een sycomoorsnoeier — eenvoudige afkomst.

Acacia (sittimhout)
שִׁטָּהH7848

Woestijnhout van de tabernakel. De ark des verbonds, de tafel der toonbroden en het brandofferaltaar — alle gemaakt van onvergankelijk acaciahout.

Cipres
בְּרוֹשׁH1265

Duurzaamheid en tempelbouw. Cipressenhout werd samen met ceder gebruikt voor de tempel. In het Messiaans vrederijk: “In plaats van de doorn zal de cipres opkomen.”

Mirt
הֲדַסH1918

Vreugde en herstel. In plaats van de braamstruik zal de mirt opkomen. Hadassa (Esther) is naar de mirt vernoemd. Loofhutten werden versierd met mirttakken.

Wilg / Populier
עֲרָבָהH6155

Rouw en ballingschap. “Aan de rivieren van Babel, daar hingen wij onze harpen aan de wilgen.” Maar ook groei: “Zij zullen opkomen als wilgen aan de waterbeken.”

Granaatappel
רִמּוֹןH7416

Vruchtbaarheid, schoonheid en het Beloofde Land. De zoom van het hogepriesterkleed had gouden granaatappels. Kanaän werd geprezen om zijn granaatappels.

Dadel (honingvrucht)
דְּבַשׁH1706

De “honing” uit het Beloofde Land (land vloeiende van melk en honing) verwijst vaak naar dadelhoning. Zoetheid en overvloed van Gods beloften.

Olijf (vrucht)
זַיִתH2132

De olijf levert olie voor zalving, licht (menora), voedsel en genezing. Olie is beeld van de Heilige Geest en van vreugde.

Vijg (vrucht)
תְּאֵנָהH8384

De eerste vijgen van het seizoen waren een delicatesse. Vijgenbladeren bedekten Adams schaamte. Vijgenkoeken genazen Hizkia’s gezwel.

Druif
עֵנָבσταφυλήH6025

Vreugde, overvloed en oordeel. De verspieders droegen een reusachtige druiventros uit Kanaän. De wijnpersbak is ook beeld van Gods toorn.

Tarwe
חִטָּהσῖτοςH2406

Brood des levens, sterven om vrucht te dragen. “Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zo blijft het alleen.” De tarweoogst is beeld van de opstanding.

Gerst
שְׂעוֹרָהκριθήH8184

Brood van de armen en eersteling van de oogst. De vijf gerstenbroden bij de spijziging der vijfduizend. De gerstoogst begon met Pesach.

Vlas / Linnen
פִּשְׁתָּהH6593

Reinheid en priesterlijk dienstbetoon. Het fijn-linnen kleed van de priesters en van de bruid des Lams. Rachab verborg de verspieders onder vlassstengels.

Spelt
כֻּסֶּמֶתH3698

Lagere graansoort, laatst geoogst. Bleef gespaard bij de hagelplaag in Egypte omdat het later rijpt — beeld van Gods getimede oordelen.

Hysop
אֵזוֹבὕσσωποςH231

Reiniging en verzoening. Het pesachbloed werd met hysop op de deurposten gestreken. David bad: “Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn.”

Mosterdzaad
σίναπιG4615

Het kleinste zaad dat een grote plant wordt: beeld van het Koninkrijk Gods dat vanuit het nietigste groeit tot iets waar de vogelen des hemels in nestelen.

Mirre
מֹרσμύρναH4753

Lijden, zalving en begrafenis. Geschenk van de wijzen, mengsel bij de zalfolie, en bij Jezus’ kruisiging en begrafenis. Bittere geur van offerdood.

Wierook (frankincense)
לְבוֹנָהλίβανοςH3828

Gebed en aanbidding. De wierookwolken in het heiligdom stijgen op als gebeden voor God. Geschenk der wijzen — erkenning van Christus’ goddelijkheid.

Kaneel
קִנָּמוֹןκιννάμωμονH7076

Kostbare specerij in de heilige zalfolie. Luxeproduct in Spreuken en in Openbaring’s lijst van Babylons handelskoopwaar.

Nardus
נֵרְדּνάρδοςH5373

Kostbare zalfolie uit de Himalaya, beeld van pure toewijding. Maria van Bethanië zalfde Jezus’ voeten met een pond nardus ter waarde van 300 denariën — een heel jaarloon als teken van totale overgave en offergezindheid.

Koriander
גַּדH1407

Het manna in de woestijn leek op korianderzaad — wit en rond. Dagelijkse hemelse voorziening in de meest onherbergzame omstandigheden.

Komijn
כַּמּוֹןκύμινονH3646

Gewoon keukenkruid. De Farizeeën gaven tienden van komijn maar vergaten gerechtigheid en barmhartigheid — beeld van letterknechterij.

Dille (anijs)
ἄνηθονG432

Klein tuinkruid waarvan de Farizeeën plichtsgetrouw tienden gaven, terwijl ze het zwaarste van de wet — oordeel, barmhartigheid, geloof — nalieten.

Munt
ἡδύοσμονG2238

Net als dille en komijn: beeld van de farizeese nadruk op uiterlijke gehoorzaamheid ten koste van innerlijke gerechtigheid.

Aloë
אֲהָלִיםαλόηH174

Geurstof en balsem. Bileam vergeleek Israëls tenten met aloë’s door God geplant. Nicodemus bracht een mengsel van mirre en aloë voor Jezus’ begrafenis.

Rue / Wijnruit
πήγανονG4076

Tuinkruid waarvan de Farizeeën tienden gaven. Jezus verwijt hen dat ze de wijnruit vertienden maar de liefde Gods voorbijgaan.

Lelie
שׁוֹשַׁנָּהκρίνονH7799

“Let op de leliën des velds.” Schoonheid zonder zorg — Gods voorzienigheid. In Hooglied beeld van de geliefde: “Ik ben een lelie der dalen.”

Roos van Saron
חֲבַצֶּלֶתH2261

Mysterieuze bloem uit Hooglied, waarschijnlijk een crocus of tulp. In de traditie vaak op Christus of de kerk betrokken: schoonheid in het lage veld.

Distel / Doorn
דַּרְדַּר / קוֹץἄκανθαH1863

Gevolg van de vloek na de zondeval. De doornenkroon van Christus draagt de vloek van de aarde. Distels verstikken het goede zaad in de gelijkenis.

Anemoon (veldbloem)
צִיץH6731

Vergankelijke schoonheid. “All vlees is als gras, en al zijn goeddadigheid als een bloem des velds.” De veldbloem verwelkt — maar Gods Woord bestaat in eeuwigheid.

Doornstruik (brandende braambos)
סְנֶהH5572

Het brandende braambos dat niet verteerde: Gods heilige tegenwoordigheid in het geringe. “Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waar gij op staat is heilig land.”

Riet
קָנֶהκάλαμοςH7070

Zwakheid en buigzaamheid. “Het geknakte riet zal Hij niet verbreken.” Beeld van Gods zachtheid voor de zwakken. Ook de spotrieten scepter bij Jezus’ bespotting.

Papyrus / Biezen
גֹּמֶאH1573

Moerasplant van de Nijl. Het biezen mandje waarin Mozes werd gelegd. Papyrus was het schrijfmateriaal van de oudheid — drager van Gods Woord. Groeit in waterrijk gebied, beeld van het Nijlland waar Israël verdrukt werd en gered.

Granaatappelboom
רִמּוֹןH7416

Saul zat onder de granaatappelboom bij Migron. Joël klaagt: de granaatappelboom is verdord — beeld van oordeel over het land.

Loofhutgroen (lulav)
לוּלָבH3871

Palmtak, mirt, wilg en etrog (citrusvrucht) — de vier soorten van het Loofhuttenfeest. Herinnering aan de woestijnreis en vertrouwen op Gods bescherming.

Galbanum
חֶלְבְּנָהH2464

Geurstof in het heilige reukwerk. Stinkend op zichzelf, maar onmisbaar in het mengsel — volgens de rabbijnse traditie een beeld van de zondaar die bij de gemeente hoort.

Balsem van Gilead
צֳרִיH6875

Kostbare geneeskrachtige hars uit Gilead, exportproduct van Israël. “Is er geen balsem in Gilead, is er geen heelmeester?” Jeremia’s retorische klacht over een volk dat genezing weigert.

Henna (koferbloem)
כֹּפֶרH3724

Geurige bloemdros uit de tuinen van Engedi. De geliefde in Hooglied vergelijkt haar bruidegom met een tros hennabloemen.

Onkruid / Dolik
ζιζάνιονG2215

Het dolik (giftig nep-tarwe) groeit naast de tarwe en is pas bij de oogst te onderscheiden. Beeld van schijn-gelovigen te midden van de gemeente tot het oordeel.

Kassia
קְצִיעָהH7102

Aromatische boomschors, ingrediënt van de heilige zalfolie. De klederen van de Messiaanse Koning geuren van mirre, aloë en kassia.

Populier / Wilg
עֲרָבָהH6155

Aan de wilgen van Babel hingen de ballingen hun harpen op. Soekot-symbool: wilgentak als een van de vier soorten.

Terebint / Eik van More
אֵלָהH424

Heilige boom waar patriarchen God ontmoetten. Abraham bij de eiken van Mamre, Debora onder de palm/eik, het Eikendal (Ela) waar David Goliath versloeg.

Distel / Doorn
דַּרְדַּרH1863

Vloek van de zondeval: doornen en distelen zal de aarde voortbrengen. Jezus droeg een doornenkroon — Hij droeg de vloek.

Dudaim (Liefdesappel)
דּוּדָאִיםH1736

Plant met vermeende vruchtbaarheidsbevorderende werking. Rachel en Lea ruilen om dudaim. In Hooglied geven zij hun geur bij de deur van de geliefde.

Pistachenoot
בָּטְנִיםH992

Kostbare noot die Jakob als geschenk naar Egypte stuurde. Eén van de “beste vruchten des lands” — teken van eer en gastvrijheid.

Kapperbes
אֲבִיוֹנָהH35

De kapperbes “breekt open” — beeld van het verlies van eetlust en levensvreugde in de ouderdom (Prediker 12).

Plataan
עַרְמוֹןH6196

Boom met afschillende bast. Jakob legde geschilde stokken bij de drinkbakken. De plataan groeit langs waterlopen als teken van overvloed.

Saffraan
כַּרְכּוֹםH3750

Kostbaar specerij in de hof van Hooglied. Eén van de geuren die de schoonheid en kostbaarheid van de bruid uitdrukken.