BRIEVEN

2 Korinthe 4

Πρὸς Κορινθίους Βʹ
Hoofdstukken (13)
12345678910111213
Getuigen
Interlineair
1
διατουτοεχοντεςτηνδιακονιανταυτηνκαθωςηλεηθημενουκεκκακουμεν
STATEN

Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zo vertragen wij niet;

2
αλλαπειπαμεθατακρυπτατηςαισχυνηςμηπεριπατουντεςενπανουργιαμηδεδολουντεςτονλογοντουθεουαλλατηφανερωσειτηςαληθειαςσυνιστωντεςεαυτουςπροςπασανσυνειδησινανθρωπωνενωπιοντουθεου
STATEN

Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.

3
ειδεκαιεστινκεκαλυμμενοντοευαγγελιονημωνεντοιςαπολλυμενοιςεστινκεκαλυμμενον
STATEN

Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan;

4
ενοιςοθεοςτουαιωνοςτουτουετυφλωσεντανοηματατωναπιστωνειςτομηαυγασαιαυτοιςτονφωτισμοντουευαγγελιουτηςδοξηςτουχριστουοςεστινεικωντουθεου
STATEN

In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is.

5
ουγαρεαυτουςκηρυσσομεναλλαχριστονιησουνκυριονεαυτουςδεδουλουςυμωνδιαιησουν
STATEN

Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil.

6
οτιοθεοςοειπωνεκσκοτουςφωςλαμqαιοςελαμqενενταιςκαρδιαιςημωνπροςφωτισμοντηςγνωσεωςτηςδοξηςτουθεουενπροσωπωιησουχριστου
STATEN

Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.

7
εχομενδετονθησαυροντουτονενοστρακινοιςσκευεσινιναηυπερβολητηςδυναμεωςητουθεουκαιμηεξημων
STATEN

Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons;

8
ενπαντιθλιβομενοιαλλουστενοχωρουμενοιαπορουμενοιαλλουκεξαπορουμενοι
STATEN

Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig;

9
διωκομενοιαλλουκεγκαταλειπομενοικαταβαλλομενοιαλλουκαπολλυμενοι
STATEN

Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven;

10
παντοτετηννεκρωσιντουκυριουιησουεντωσωματιπεριφεροντεςινακαιηζωητουιησουεντωσωματιημωνφανερωθη
STATEN

Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.

11
αειγαρημειςοιζωντεςειςθανατονπαραδιδομεθαδιαιησουνινακαιηζωητουιησουφανερωθηεντηθνητησαρκιημων
STATEN

Want wij, die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus' wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.

12
ωστεομενθανατοςενημινενεργειταιηδεζωηενυμιν
STATEN

Zo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden.

13
εχοντεςδετοαυτοπνευματηςπιστεωςκατατογεγραμμενονεπιστευσαδιοελαλησακαιημειςπιστευομενδιοκαιλαλουμεν
STATEN

Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook;

14
ειδοτεςοτιοεγειραςτονκυριονιησουνκαιημαςδιαιησουεγερεικαιπαραστησεισυνυμιν
STATEN

Wetende, dat Hij, Die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met ulieden daar zal stellen.

15
ταγαρπανταδιυμαςιναηχαριςπλεονασασαδιατωνπλειονωντηνευχαριστιανπερισσευσηειςτηνδοξαντουθεου
STATEN

Want al deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig worde ter heerlijkheid Gods.

16
διοουκεκκακουμεναλλεικαιοεξωημωνανθρωποςδιαφθειρεταιαλλοεσωθενανακαινουταιημερακαιημερα
STATEN

Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.

17
τογαρπαραυτικαελαφροντηςθλιqεωςημωνκαθυπερβοληνειςυπερβοληναιωνιονβαροςδοξηςκατεργαζεταιημιν
STATEN

Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid;

18
μησκοπουντωνημωνταβλεπομενααλλαταμηβλεπομεναταγαρβλεπομεναπροσκαιραταδεμηβλεπομενααιωνια
STATEN

Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.