BRIEVEN

2 Korinthe 3

Πρὸς Κορινθίους Βʹ
Hoofdstukken (13)
12345678910111213
Getuigen
Interlineair
1
αρχομεθαπαλινεαυτουςσυνιστανεινημηχρηζομενωςτινεςσυστατικωνεπιστολωνπροςυμαςηεξυμωνσυστατικων
STATEN

Beginnen wij onszelven wederom u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u?

2
ηεπιστοληημωνυμειςεστεεγγεγραμμενηενταιςκαρδιαιςημωνγινωσκομενηκαιαναγινωσκομενηυποπαντωνανθρωπων
STATEN

Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle mensen;

3
φανερουμενοιοτιεστεεπιστοληχριστουδιακονηθεισαυφημωνεγγεγραμμενηουμελανιαλλαπνευματιθεουζωντοςουκενπλαξινλιθιναιςαλλενπλαξινκαρδιαςσαρκιναις
STATEN

Als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door den Geest des levenden Gods, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen des harten.

4
πεποιθησινδετοιαυτηνεχομενδιατουχριστουπροςτονθεον
STATEN

En zodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God.

5
ουχοτιικανοιεσμεναφεαυτωνλογισασθαιτιωςεξεαυτωναλληικανοτηςημωνεκτουθεου
STATEN

Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;

6
οςκαιικανωσενημαςδιακονουςκαινηςδιαθηκηςουγραμματοςαλλαπνευματοςτογαργραμμααποκτεινειτοδεπνευμαζωοποιει
STATEN

Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

7
ειδεηδιακονιατουθανατουενγραμμασινεντετυπωμενηενλιθοιςεγενηθηενδοξηωστεμηδυνασθαιατενισαιτουςυιουςισραηλειςτοπροσωπονμωσεωςδιατηνδοξαντουπροσωπουαυτουτηνκαταργουμενην
STATEN

En indien de bediening des doods in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijns aangezichts, die te niet gedaan zou worden,

8
πωςουχιμαλλονηδιακονιατουπνευματοςεσταιενδοξη
STATEN

Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn?

9
ειγαρηδιακονιατηςκατακρισεωςδοξαπολλωμαλλονπερισσευειηδιακονιατηςδικαιοσυνηςενδοξη
STATEN

Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.

10
καιγαρουδεδεδοξασταιτοδεδοξασμενονεντουτωτωμερειενεκεντηςυπερβαλλουσηςδοξης
STATEN

Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen dele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid.

11
ειγαρτοκαταργουμενονδιαδοξηςπολλωμαλλοντομενονενδοξη
STATEN

Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid.

12
εχοντεςουντοιαυτηνελπιδαπολληπαρρησιαχρωμεθα
STATEN

Dewijl wij dan zodanige hoop hebben, zo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in het spreken;

13
καιουκαθαπερμωσηςετιθεικαλυμμαεπιτοπροσωπονεαυτουπροςτομηατενισαιτουςυιουςισραηλειςτοτελοςτουκαταργουμενου
STATEN

En doen niet gelijkerwijs Mozes, die een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de kinderen Israëls niet zouden sterk zien op het einde van hetgeen te niet gedaan wordt.

14
αλλεπωρωθητανοηματααυτωναχριγαρτηςσημεροντοαυτοκαλυμμαεπιτηαναγνωσειτηςπαλαιαςδιαθηκηςμενειμηανακαλυπτομενονοτιενχριστωκαταργειται
STATEN

Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op den dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt.

15
αλλεωςσημερονηνικααναγινωσκεταιμωσηςκαλυμμαεπιτηνκαρδιαναυτωνκειται
STATEN

Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart.

16
ηνικαδανεπιστρεqηπροςκυριονπεριαιρειταιτοκαλυμμα
STATEN

Doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.

17
οδεκυριοςτοπνευμαεστινουδετοπνευμακυριουεκειελευθερια
STATEN

De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.

18
ημειςδεπαντεςανακεκαλυμμενωπροσωπωτηνδοξανκυριουκατοπτριζομενοιτηναυτηνεικοναμεταμορφουμεθααποδοξηςειςδοξανκαθαπεραποκυριουπνευματος
STATEN

En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.