Ga naar inhoud
KETUVIM

Ruth 1

רוּת
Hoofdstukken (4)← → toetsen
1234
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֗י בִּ/ימֵי֙ שְׁפֹ֣ט הַ/שֹּׁפְטִ֔ים וַ/יְהִ֥י רָעָ֖ב בָּ/אָ֑רֶץ וַ/יֵּ֨לֶךְ אִ֜ישׁ מִ/בֵּ֧ית לֶ֣חֶם יְהוּדָ֗ה לָ/גוּר֙ בִּ/שְׂדֵ֣י מוֹאָ֔ב ה֥וּא וְ/אִשְׁתּ֖/וֹ וּ/שְׁנֵ֥י בָנָֽי/ו׃
STATEN

In de dagen, als de richters richtten, zo geschiedde het, dat er honger in het land was; daarom toog een man van Bethlehem-Juda, om als vreemdeling te verkeren in de velden Moabs, hij, en zijn huisvrouw, en zijn twee zonen.

2
וְ/שֵׁ֣ם הָ/אִ֣ישׁ אֱֽלִימֶ֡לֶךְ וְ/שֵׁם֩ אִשְׁתּ֨/וֹ נָעֳמִ֜י וְ/שֵׁ֥ם שְׁנֵֽי בָנָ֣י/ו מַחְל֤וֹן וְ/כִלְיוֹן֙ אֶפְרָתִ֔ים מִ/בֵּ֥ית לֶ֖חֶם יְהוּדָ֑ה וַ/יָּבֹ֥אוּ שְׂדֵי מוֹאָ֖ב וַ/יִּֽהְיוּ שָֽׁם־׀־־׃
STATEN

De naam nu dezes mans was Elimélech, en de naam zijner huisvrouw Naómi, en de naam zijner twee zonen Machlon en Chiljon, Efrathers, van Bethlehem-Juda; en zij kwamen in de velden Moabs, en bleven aldaar.

3
וַ/יָּ֥מָת אֱלִימֶ֖לֶךְ אִ֣ישׁ נָעֳמִ֑י וַ/תִּשָּׁאֵ֥ר הִ֖יא וּ/שְׁנֵ֥י בָנֶֽי/הָ׃
STATEN

En Elimélech, de man van Naómi, stierf; maar zij werd overgelaten met haar twee zonen.

4
וַ/יִּשְׂא֣וּ לָ/הֶ֗ם נָשִׁים֙ מֹֽאֲבִיּ֔וֹת שֵׁ֤ם הָֽ/אַחַת֙ עָרְפָּ֔ה וְ/שֵׁ֥ם הַ/שֵּׁנִ֖ית ר֑וּת וַ/יֵּ֥שְׁבוּ שָׁ֖ם כְּ/עֶ֥שֶׂר שָׁנִֽים׃
STATEN

Die namen zich Moabietische vrouwen; de naam der ene was Orpa, en de naam der andere Ruth; en zij bleven aldaar omtrent tien jaren.

5
וַ/יָּמ֥וּתוּ גַם שְׁנֵי/הֶ֖ם מַחְל֣וֹן וְ/כִלְי֑וֹן וַ/תִּשָּׁאֵר֙ הָֽ/אִשָּׁ֔ה מִ/שְּׁנֵ֥י יְלָדֶ֖י/הָ וּ/מֵ/אִישָֽׁ/הּ־׃
STATEN

En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook; alzo werd deze vrouw overgelaten na haar twee zonen en na haar man.

6
וַ/תָּ֤קָם הִיא֙ וְ/כַלֹּתֶ֔י/הָ וַ/תָּ֖שָׁב מִ/שְּׂדֵ֣י מוֹאָ֑ב כִּ֤י שָֽׁמְעָה֙ בִּ/שְׂדֵ֣ה מוֹאָ֔ב כִּֽי פָקַ֤ד יְהוָה֙ אֶת עַמּ֔/וֹ לָ/תֵ֥ת לָ/הֶ֖ם לָֽחֶם־־׃
STATEN

Toen maakte zij zich op met haar schoondochters, en keerde weder uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat de HEERE Zijn volk bezocht had, gevende hun brood.

7
וַ/תֵּצֵ֗א מִן הַ/מָּקוֹם֙ אֲשֶׁ֣ר הָיְתָה שָׁ֔מָּ/ה וּ/שְׁתֵּ֥י כַלֹּתֶ֖י/הָ עִמָּ֑/הּ וַ/תֵּלַ֣כְנָה בַ/דֶּ֔רֶךְ לָ/שׁ֖וּב אֶל אֶ֥רֶץ יְהוּדָֽה־־־׃
STATEN

Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was en haar twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op den weg, om weder te keren naar het land van Juda,

8
וַ/תֹּ֤אמֶר נָעֳמִי֙ לִ/שְׁתֵּ֣י כַלֹּתֶ֔י/הָ לֵ֣כְנָה שֹּׁ֔בְנָה אִשָּׁ֖ה לְ/בֵ֣ית אִמָּ֑/הּ יעשה יְהוָ֤ה עִמָּ/כֶם֙ חֶ֔סֶד כַּ/אֲשֶׁ֧ר עֲשִׂיתֶ֛ם עִם הַ/מֵּתִ֖ים וְ/עִמָּדִֽ/י יַ֣עַשׂ־׃
STATEN

Zo zeide Naómi tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert weder, een iegelijk tot het huis van haar moeder; de HEERE doe bij u weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de doden, en bij mij.

9
יִתֵּ֤ן יְהוָה֙ לָ/כֶ֔ם וּ/מְצֶ֣אןָ מְנוּחָ֔ה אִשָּׁ֖ה בֵּ֣ית אִישָׁ֑/הּ וַ/תִּשַּׁ֣ק לָ/הֶ֔ן וַ/תִּשֶּׂ֥אנָה קוֹלָ֖/ן וַ/תִּבְכֶּֽינָה׃
STATEN

De HEERE geve u, dat gij ruste vindt, een iegelijk in het huis van haar man! En als zij haar kuste, hieven zij haar stem op en weenden;

10
וַ/תֹּאמַ֖רְנָה לָּ֑/הּ כִּי אִתָּ֥/ךְ נָשׁ֖וּב לְ/עַמֵּֽ/ךְ־־׃
STATEN

En zij zeiden tot haar: Wij zullen zekerlijk met u wederkeren tot uw volk.

11
וַ/תֹּ֤אמֶר נָעֳמִי֙ שֹׁ֣בְנָה בְנֹתַ֔/י לָ֥/מָּה תֵלַ֖כְנָה עִמִּ֑/י הַֽ/עֽוֹד לִ֤/י בָנִים֙ בְּֽ/מֵעַ֔/י וְ/הָי֥וּ לָ/כֶ֖ם לַ/אֲנָשִֽׁים־׃
STATEN

Maar Naómi zeide: Keert weder, mijn dochters! Waarom zoudt gij met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn lichaam, dat zij u tot mannen zouden zijn?

12
שֹׁ֤בְנָה בְנֹתַ/י֙ לֵ֔כְןָ כִּ֥י זָקַ֖נְתִּי מִ/הְי֣וֹת לְ/אִ֑ישׁ כִּ֤י אָמַ֨רְתִּי֙ יֶשׁ לִ֣/י תִקְוָ֔ה גַּ֣ם הָיִ֤יתִי הַ/לַּ֨יְלָה֙ לְ/אִ֔ישׁ וְ/גַ֖ם יָלַ֥דְתִּי בָנִֽים־׃
STATEN

Keert weder, mijn dochters! Gaat heen; want ik ben te oud om een man te hebben. Wanneer ik al zeide: Ik heb hoop, of ik ook in dezen nacht een man had, ja, ook zonen baarde;

Op De Naamdragers

Blogs over Ruth 1

Nog geen artikelen die specifiek naar Ruth 1 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →