Ga naar inhoud
NEVIIM

Joël 1

יוֹאֵל
Hoofdstukken (4)← → toetsen
1234
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
דְּבַר יְהוָה֙ אֲשֶׁ֣ר הָיָ֔ה אֶל יוֹאֵ֖ל בֶּן פְּתוּאֵֽל־־־׃
STATEN

Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Joël, den zoon van Pethuël:

2
שִׁמְעוּ זֹאת֙ הַ/זְּקֵנִ֔ים וְ/הַֽאֲזִ֔ינוּ כֹּ֖ל יוֹשְׁבֵ֣י הָ/אָ֑רֶץ הֶ/הָ֤יְתָה זֹּאת֙ בִּֽ/ימֵי/כֶ֔ם וְ/אִ֖ם בִּ/ימֵ֥י אֲבֹֽתֵי/כֶֽם־׃
STATEN

Hoort dit, gij oudsten! en neemt ter oren, alle inwoners des lands! Is dit geschied in uw dagen, of ook in de dagen uwer vaderen?

3
עָלֶ֖/יהָ לִ/בְנֵי/כֶ֣ם סַפֵּ֑רוּ וּ/בְנֵי/כֶם֙ לִ/בְנֵי/הֶ֔ם וּ/בְנֵי/הֶ֖ם לְ/ד֥וֹר אַחֵֽר׃
STATEN

Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht.

4
יֶ֤תֶר הַ/גָּזָם֙ אָכַ֣ל הָֽ/אַרְבֶּ֔ה וְ/יֶ֥תֶר הָ/אַרְבֶּ֖ה אָכַ֣ל הַ/יָּ֑לֶק וְ/יֶ֣תֶר הַ/יֶּ֔לֶק אָכַ֖ל הֶ/חָסִֽיל׃
STATEN

Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.

5
הָקִ֤יצוּ שִׁכּוֹרִים֙ וּ/בְכ֔וּ וְ/הֵילִ֖לוּ כָּל שֹׁ֣תֵי יָ֑יִן עַל עָסִ֕יס כִּ֥י נִכְרַ֖ת מִ/פִּי/כֶֽם־־׃
STATEN

Waakt op, gij dronkenen! en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om den nieuwen wijn, dewijl hij van uw mond is afgesneden.

6
כִּֽי גוֹי֙ עָלָ֣ה עַל אַרְצִ֔/י עָצ֖וּם וְ/אֵ֣ין מִסְפָּ֑ר שִׁנָּי/ו֙ שִׁנֵּ֣י אַרְיֵ֔ה וּֽ/מְתַלְּע֥וֹת לָבִ֖יא לֽ/וֹ־־׃
STATEN

Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws.

7
שָׂ֤ם גַּפְנִ/י֙ לְ/שַׁמָּ֔ה וּ/תְאֵנָתִ֖/י לִ/קְצָפָ֑ה חָשֹׂ֤ף חֲשָׂפָ/הּ֙ וְ/הִשְׁלִ֔יךְ הִלְבִּ֖ינוּ שָׂרִיגֶֽי/הָ׃
STATEN

Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden.

8
אֱלִ֕י כִּ/בְתוּלָ֥ה חֲגֻֽרַת שַׂ֖ק עַל בַּ֥עַל נְעוּרֶֽי/הָ־־׃
STATEN

Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd.

9
הָכְרַ֥ת מִנְחָ֛ה וָ/נֶ֖סֶךְ מִ/בֵּ֣ית יְהוָ֑ה אָֽבְלוּ֙ הַ/כֹּ֣הֲנִ֔ים מְשָׁרְתֵ֖י יְהוָֽה׃
STATEN

Spijsoffer en drankoffer is van het huis des HEEREN afgesneden; de priesters, des HEEREN dienaars, treuren.

10
שֻׁדַּ֣ד שָׂדֶ֔ה אָבְלָ֖ה אֲדָמָ֑ה כִּ֚י שֻׁדַּ֣ד דָּגָ֔ן הוֹבִ֥ישׁ תִּיר֖וֹשׁ אֻמְלַ֥ל יִצְהָֽר׃
STATEN

Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw.

11
הֹבִ֣ישׁוּ אִכָּרִ֗ים הֵילִ֨ילוּ֙ כֹּֽרְמִ֔ים עַל חִטָּ֖ה וְ/עַל שְׂעֹרָ֑ה כִּ֥י אָבַ֖ד קְצִ֥יר שָׂדֶֽה־־׃
STATEN

De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst des velds is vergaan.

12
הַ/גֶּ֣פֶן הוֹבִ֔ישָׁה וְ/הַ/תְּאֵנָ֖ה אֻמְלָ֑לָה רִמּ֞וֹן גַּם תָּמָ֣ר וְ/תַפּ֗וּחַ כָּל עֲצֵ֤י הַ/שָּׂדֶה֙ יָבֵ֔שׁוּ כִּֽי הֹבִ֥ישׁ שָׂשׂ֖וֹן מִן בְּנֵ֥י אָדָֽם־־־־׃ס
STATEN

De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en de appelboom; alle bomen des velds zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen.

Op De Naamdragers

Blogs over Joël 1

Nog geen artikelen die specifiek naar Joël 1 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →