NEVIIM

Jona 3

יוֹנָה
Hoofdstukken (4)
1234
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֧י דְבַר יְהוָ֛ה אֶל יוֹנָ֖ה שֵׁנִ֥ית לֵ/אמֹֽר
STATEN

En het woord des HEEREN geschiedde ten anderen male tot Jona, zeggende:

2
ק֛וּם לֵ֥ךְ אֶל נִֽינְוֵ֖ה הָ/עִ֣יר הַ/גְּדוֹלָ֑ה וִּ/קְרָ֤א אֵלֶ֨י/הָ֙ אֶת הַ/קְּרִיאָ֔ה אֲשֶׁ֥ר אָנֹכִ֖י דֹּבֵ֥ר אֵלֶֽי/ךָ
STATEN

Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé; en predik tegen haar de prediking, die Ik tot u spreek.

3
וַ/יָּ֣קָם יוֹנָ֗ה וַ/יֵּ֛לֶךְ אֶל נִֽינְוֶ֖ה כִּ/דְבַ֣ר יְהוָ֑ה וְ/נִֽינְוֵ֗ה הָיְתָ֤ה עִיר גְּדוֹלָה֙ לֵֽ/אלֹהִ֔ים מַהֲלַ֖ךְ שְׁלֹ֥שֶׁת יָמִֽים
STATEN

Toen maakte zich Jona op, en ging naar Ninevé, naar het woord des HEEREN. Ninevé nu was een grote stad Gods, van drie dagreizen.

4
וַ/יָּ֤חֶל יוֹנָה֙ לָ/ב֣וֹא בָ/עִ֔יר מַהֲלַ֖ךְ י֣וֹם אֶחָ֑ד וַ/יִּקְרָא֙ וַ/יֹּאמַ֔ר ע֚וֹד אַרְבָּעִ֣ים י֔וֹם וְ/נִֽינְוֵ֖ה נֶהְפָּֽכֶת
STATEN

En Jona begon in de stad te gaan, een dagreis; en hij predikte, en zeide: Nog veertig dagen, dan zal Ninevé worden omgekeerd.

5
וַֽ/יַּאֲמִ֛ינוּ אַנְשֵׁ֥י נִֽינְוֵ֖ה בֵּֽ/אלֹהִ֑ים וַ/יִּקְרְאוּ צוֹם֙ וַ/יִּלְבְּשׁ֣וּ שַׂקִּ֔ים מִ/גְּדוֹלָ֖/ם וְ/עַד קְטַנָּֽ/ם
STATEN

En de lieden van Ninevé geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe.

6
וַ/יִּגַּ֤ע הַ/דָּבָר֙ אֶל מֶ֣לֶך נִֽינְוֵ֔ה וַ/יָּ֨קָם֙ מִ/כִּסְא֔/וֹ וַ/יַּעֲבֵ֥ר אַדַּרְתּ֖/וֹ מֵֽ/עָלָ֑י/ו וַ/יְכַ֣ס שַׂ֔ק וַ/יֵּ֖שֶׁב עַל הָ/אֵֽפֶר
STATEN

Want dit woord geraakte tot den koning van Ninevé, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as.

7
וַ/יַּזְעֵ֗ק וַ/יֹּ֨אמֶר֙ בְּ/נִֽינְוֵ֔ה מִ/טַּ֧עַם הַ/מֶּ֛לֶךְ וּ/גְדֹלָ֖י/ו לֵ/אמֹ֑ר הָ/אָדָ֨ם וְ/הַ/בְּהֵמָ֜ה הַ/בָּקָ֣ר וְ/הַ/צֹּ֗אן אַֽל יִטְעֲמוּ֙ מְא֔וּמָה אַ֨ל יִרְע֔וּ וּ/מַ֖יִם אַל יִשְׁתּֽוּ
STATEN

En hij liet uitroepen, en men sprak te Ninevé, uit bevel des konings en zijner groten, zeggende: Laat mens noch beest, rund noch schaap, iets smaken, laat ze niet weiden, noch water drinken.

8
וְ/יִתְכַּסּ֣וּ שַׂקִּ֗ים הָֽ/אָדָם֙ וְ/הַ/בְּהֵמָ֔ה וְ/יִקְרְא֥וּ אֶל אֱלֹהִ֖ים בְּ/חָזְקָ֑ה וְ/יָשֻׁ֗בוּ אִ֚ישׁ מִ/דַּרְכּ֣/וֹ הָֽ/רָעָ֔ה וּ/מִן הֶ/חָמָ֖ס אֲשֶׁ֥ר בְּ/כַפֵּי/הֶֽם
STATEN

Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg, en van het geweld, dat in hun handen is.

9
מִֽי יוֹדֵ֣עַ יָשׁ֔וּב וְ/נִחַ֖ם הָ/אֱלֹהִ֑ים וְ/שָׁ֛ב מֵ/חֲר֥וֹן אַפּ֖/וֹ וְ/לֹ֥א נֹאבֵֽד
STATEN

Wie weet, God mocht Zich wenden, en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen!

10
וַ/יַּ֤רְא הָֽ/אֱלֹהִים֙ אֶֽת מַ֣עֲשֵׂי/הֶ֔ם כִּי שָׁ֖בוּ מִ/דַּרְכָּ֣/ם הָ/רָעָ֑ה וַ/יִּנָּ֣חֶם הָ/אֱלֹהִ֗ים עַל הָ/רָעָ֛ה אֲשֶׁר דִּבֶּ֥ר לַ/עֲשׂוֹת לָ/הֶ֖ם וְ/לֹ֥א עָשָֽׂה
STATEN

En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.