OPENBARING

Openbaring 5

Ἀποκάλυψις Ἰωάννου
Hoofdstukken (22)
12345678910111213141516171819202122
Getuigen
Interlineair
1
καιειδονεπιτηνδεξιαντουκαθημενουεπιτουθρονουβιβλιονγεγραμμενονεσωθενκαιοπισθενκατεσφραγισμενονσφραγισινεπτα
STATEN

En ik zag in de rechterhand Desgenen, Die op den troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen.

2
καιειδοναγγελονισχυρονκηρυσσονταφωνημεγαλητιςεστιναξιοςανοιξαιτοβιβλιονκαιλυσαιταςσφραγιδαςαυτου
STATEN

En ik zag een sterken engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegelen open te breken?

3
καιουδειςηδυνατοεντωουρανωουδεεπιτηςγηςουδευποκατωτηςγηςανοιξαιτοβιβλιονουδεβλεπειναυτο
STATEN

En niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelve inzien.

4
καιεγωεκλαιονπολλαοτιουδειςαξιοςευρεθηανοιξαικαιαναγνωναιτοβιβλιονουτεβλεπειναυτο
STATEN

En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was, om dat boek te openen, en te lezen, noch hetzelve in te zien.

5
καιειςεκτωνπρεσβυτερωνλεγειμοιμηκλαιειδουενικησενολεωνοωνεκτηςφυληςιουδαηριζαδαβιδανοιξαιτοβιβλιονκαιλυσαιταςεπτασφραγιδαςαυτου
STATEN

En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit den stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.

6
καιειδονκαιιδουενμεσωτουθρονουκαιτωντεσσαρωνζωωνκαιενμεσωτωνπρεσβυτερωναρνιονεστηκοςωςεσφαγμενονεχονκεραταεπτακαιοφθαλμουςεπταοιεισινταεπτατουθεουπνευματατααπεσταλμεναειςπασαντηνγην
STATEN

En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; dewelke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.

7
καιηλθενκαιειληφεντοβιβλιονεκτηςδεξιαςτουκαθημενουεπιτουθρονου
STATEN

En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechterhand Desgenen, Die op den troon zat.

8
καιοτεελαβεντοβιβλιοντατεσσαραζωακαιοιεικοσιτεσσαρεςπρεσβυτεροιεπεσονενωπιοντουαρνιουεχοντεςεκαστοςκιθαραςκαιφιαλαςχρυσαςγεμουσαςθυμιαματωναιεισιναιπροσευχαιτωναγιων
STATEN

En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden der heiligen.

9
καιαδουσινωδηνκαινηνλεγοντεςαξιοςειλαβειντοβιβλιονκαιανοιξαιταςσφραγιδαςαυτουοτιεσφαγηςκαιηγορασαςτωθεωημαςεντωαιματισουεκπασηςφυληςκαιγλωσσηςκαιλαουκαιεθνους
STATEN

En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie;

10
καιεποιησαςημαςτωθεωημωνβασιλειςκαιιερειςκαιβασιλευσομενεπιτηςγης
STATEN

En Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.

11
καιειδονκαιηκουσαφωνηναγγελωνπολλωνκυκλοθεντουθρονουκαιτωνζωωνκαιτωνπρεσβυτερωνκαιηνοαριθμοςαυτωνμυριαδεςμυριαδωνκαιχιλιαδεςχιλιαδων
STATEN

En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom den troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden;

12
λεγοντεςφωνημεγαληαξιονεστιντοαρνιοντοεσφαγμενονλαβειντηνδυναμινκαιπλουτονκαισοφιανκαιισχυνκαιτιμηνκαιδοξανκαιευλογιαν
STATEN

Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.

13
καιπανκτισμαοεστινεντωουρανωκαιεντηγηκαιυποκατωτηςγηςκαιεπιτηςθαλασσηςαεστινκαιταεναυτοιςπανταηκουσαλεγονταςτωκαθημενωεπιτουθρονουκαιτωαρνιωηευλογιακαιητιμηκαιηδοξακαιτοκρατοςειςτουςαιωναςτωναιωνων
STATEN

En alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.

14
καιτατεσσαραζωαελεγοναμηνκαιοιεικοσιτεσσαρεςπρεσβυτεροιεπεσανκαιπροσεκυνησανζωντιειςτουςαιωναςτωναιωνων
STATEN

En de vier dieren zeiden: Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen neder, en aanbaden Dengene, Die leeft in alle eeuwigheid.