OPENBARING

Openbaring 6

Ἀποκάλυψις Ἰωάννου
Hoofdstukken (22)
12345678910111213141516171819202122
Getuigen
Interlineair
1
καιειδονοτεηνοιξεντοαρνιονμιανεκτωνσφραγιδωνκαιηκουσαενοςεκτωντεσσαρωνζωωνλεγοντοςωςφωνηςβροντηςερχουκαιβλεπε
STATEN

En ik zag, toen het Lam een van de zegelen geopend had, en ik hoorde een uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie!

2
καιειδονκαιιδουιπποςλευκοςκαιοκαθημενοςεπαυτωεχωντοξονκαιεδοθηαυτωστεφανοςκαιεξηλθεννικωνκαιινανικηση
STATEN

En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne!

3
καιοτεηνοιξεντηνδευτερανσφραγιδαηκουσατουδευτερουζωουλεγοντοςερχουκαιβλεπε
STATEN

En toen Het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie!

4
καιεξηλθεναλλοςιπποςπυρροςκαιτωκαθημενωεπαυτωεδοθηαυτωλαβειντηνειρηνηναποτηςγηςκαιινααλληλουςσφαξωσινκαιεδοθηαυτωμαχαιραμεγαλη
STATEN

En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien, die daarop zat, werd macht gegeven den vrede te nemen van de aarde; en dat zij elkander zouden doden; en hem werd een groot zwaard gegeven.

5
καιοτεηνοιξεντηντριτηνσφραγιδαηκουσατουτριτουζωουλεγοντοςερχουκαιβλεπεκαιειδονκαιιδουιπποςμελαςκαιοκαθημενοςεπαυτωεχωνζυγονεντηχειριαυτου
STATEN

En toen Het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die daarop zat, had een weegschaal in zijn hand.

6
καιηκουσαφωνηνενμεσωτωντεσσαρωνζωωνλεγουσανχοινιξσιτουδηναριουκαιτρειςχοινικεςκριθηςδηναριουκαιτοελαιονκαιτονοινονμηαδικησης
STATEN

En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en den wijn niet.

7
καιοτεηνοιξεντηνσφραγιδατηντεταρτηνηκουσαφωνηντουτεταρτουζωουλεγουσανερχουκαιβλεπε
STATEN

En toen Het het vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie!

8
καιειδονκαιιδουιπποςχλωροςκαιοκαθημενοςεπανωαυτουονομααυτωοθανατοςκαιοαδηςακολουθειμεταυτουκαιεδοθηαυτοιςεξουσιααποκτειναιεπιτοτεταρτοντηςγηςενρομφαιακαιενλιμωκαιενθανατωκαιυποτωνθηριωντηςγης
STATEN

En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde, met zwaard, en met honger, en met den dood, en door de wilde beesten der aarde.

9
καιοτεηνοιξεντηνπεμπτηνσφραγιδαειδονυποκατωτουθυσιαστηριουταςqυχαςτωνεσφαγμενωνδιατονλογοντουθεουκαιδιατηνμαρτυριανηνειχον
STATEN

En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden.

10
καιεκραζονφωνημεγαληλεγοντεςεωςποτεοδεσποτηςοαγιοςκαιοαληθινοςουκρινειςκαιεκδικειςτοαιμαημωναποτωνκατοικουντωνεπιτηςγης
STATEN

En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?

11
καιεδοθησανεκαστοιςστολαιλευκαικαιερρεθηαυτοιςινααναπαυσωνταιετιχρονονμικρονεωςουπληρωσονταικαιοισυνδουλοιαυτωνκαιοιαδελφοιαυτωνοιμελλοντεςαποκτεινεσθαιωςκαιαυτοι
STATEN

En aan een iegelijk werden lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij.

12
καιειδονοτεηνοιξεντηνσφραγιδατηνεκτηνκαιιδουσεισμοςμεγαςεγενετοκαιοηλιοςεγενετομελαςωςσακκοςτριχινοςκαιησεληνηεγενετοωςαιμα
STATEN

En ik zag, toen Het het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed.

13
καιοιαστερεςτουουρανουεπεσανειςτηνγηνωςσυκηβαλλειτουςολυνθουςαυτηςυπομεγαλουανεμουσειομενη
STATEN

En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een groten wind geschud wordt.

14
καιουρανοςαπεχωρισθηωςβιβλιονειλισσομενονκαιπανοροςκαινησοςεκτωντοπωναυτωνεκινηθησαν
STATEN

En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.

15
καιοιβασιλειςτηςγηςκαιοιμεγιστανεςκαιοιπλουσιοικαιοιχιλιαρχοικαιοιδυνατοικαιπαςδουλοςκαιπαςελευθεροςεκρυqανεαυτουςειςτασπηλαιακαιειςταςπετραςτωνορεων
STATEN

En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelven in de spelonken, en in de steenrotsen der bergen;

16
καιλεγουσιντοιςορεσινκαιταιςπετραιςπεσετεεφημαςκαικρυqατεημαςαποπροσωπουτουκαθημενουεπιτουθρονουκαιαποτηςοργηςτουαρνιου
STATEN

En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams.

17
οτιηλθενηημεραημεγαλητηςοργηςαυτουκαιτιςδυναταισταθηναι
STATEN

Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan?