OPENBARING

Openbaring 12

Ἀποκάλυψις Ἰωάννου
Hoofdstukken (22)
12345678910111213141516171819202122
Getuigen
Interlineair
1
καισημειονμεγαωφθηεντωουρανωγυνηπεριβεβλημενητονηλιονκαιησεληνηυποκατωτωνποδωναυτηςκαιεπιτηςκεφαληςαυτηςστεφανοςαστερωνδωδεκα
STATEN

En er werd een groot teken gezien in den hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren;

2
καιενγαστριεχουσακραζειωδινουσακαιβασανιζομενητεκειν
STATEN

En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren.

3
καιωφθηαλλοσημειονεντωουρανωκαιιδουδρακωνμεγαςπυρροςεχωνκεφαλαςεπτακαικεραταδεκακαιεπιταςκεφαλαςαυτουδιαδηματαεπτα
STATEN

En er werd een ander teken gezien in den hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden.

4
καιηουρααυτουσυρειτοτριτοντωναστερωντουουρανουκαιεβαλεναυτουςειςτηνγηνκαιοδρακωνεστηκενενωπιοντηςγυναικοςτηςμελλουσηςτεκεινιναοταντεκητοτεκνοναυτηςκαταφαγη
STATEN

En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben.

5
καιετεκενυιοναρρεναοςμελλειποιμαινεινπανταταεθνηενραβδωσιδηρακαιηρπασθητοτεκνοναυτηςπροςτονθεονκαιτονθρονοναυτου
STATEN

En zij baarde een mannelijken zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon.

6
καιηγυνηεφυγενειςτηνερημονοπουεχειτοπονητοιμασμενοναποτουθεουιναεκειτρεφωσιναυτηνημεραςχιλιαςδιακοσιαςεξηκοντα
STATEN

En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.

7
καιεγενετοπολεμοςεντωουρανωομιχαηλκαιοιαγγελοιαυτουεπολεμησανκατατουδρακοντοςκαιοδρακωνεπολεμησενκαιοιαγγελοιαυτου
STATEN

En er werd krijg in den hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.

8
καιουκισχυσανουτετοποςευρεθηαυτωνετιεντωουρανω
STATEN

En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in den hemel.

9
καιεβληθηοδρακωνομεγαςοοφιςοαρχαιοςοκαλουμενοςδιαβολοςκαιοσαταναςοπλανωντηνοικουμενηνοληνεβληθηειςτηνγηνκαιοιαγγελοιαυτουμεταυτουεβληθησαν
STATEN

En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.

10
καιηκουσαφωνηνμεγαληνλεγουσανεντωουρανωαρτιεγενετοησωτηριακαιηδυναμιςκαιηβασιλειατουθεουημωνκαιηεξουσιατουχριστουαυτουοτικατεβληθηοκατηγοροςτωναδελφωνημωνοκατηγορωναυτωνενωπιοντουθεουημωνημεραςκαινυκτος
STATEN

En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht is nedergeworpen.

11
καιαυτοιενικησαναυτονδιατοαιματουαρνιουκαιδιατονλογοντηςμαρτυριαςαυτωνκαιουκηγαπησαντηνqυχηναυτωναχριθανατου
STATEN

En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.

12
διατουτοευφραινεσθεοιουρανοικαιοιεναυτοιςσκηνουντεςουαιτοιςκατοικουσιντηνγηνκαιτηνθαλασσανοτικατεβηοδιαβολοςπροςυμαςεχωνθυμονμεγανειδωςοτιολιγονκαιρονεχει
STATEN

Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen, en gij, die daarin woont! Wee dengenen, die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen, en heeft groten toorn, wetende, dat hij een kleinen tijd heeft.

13
καιοτεειδενοδρακωνοτιεβληθηειςτηνγηνεδιωξεντηνγυναικαητιςετεκεντοναρρενα
STATEN

En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd, die het manneken gebaard had.

14
καιεδοθησαντηγυναικιδυοπτερυγεςτουαετουτουμεγαλουιναπετηταιειςτηνερημονειςτοντοποναυτηςοπουτρεφεταιεκεικαιρονκαικαιρουςκαιημισυκαιρουαποπροσωπουτουοφεως
STATEN

En der vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.

15
καιεβαλενοοφιςοπισωτηςγυναικοςεκτουστοματοςαυτουυδωρωςποταμονιναταυτηνποταμοφορητονποιηση
STATEN

En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zou doen wegvoeren.

16
καιεβοηθησενηγητηγυναικικαιηνοιξενηγητοστομααυτηςκαικατεπιεντονποταμονονεβαλενοδρακωνεκτουστοματοςαυτου
STATEN

En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijn mond had geworpen.

17
καιωργισθηοδρακωνεπιτηγυναικικαιαπηλθενποιησαιπολεμονμετατωνλοιπωντουσπερματοςαυτηςτωντηρουντωνταςεντολαςτουθεουκαιεχοντωντηνμαρτυριαντουιησουχριστου
STATEN

En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.

18

En ik stond op het zand der zee.