NEVIIM

Nahum 3

נַחוּם
Hoofdstukken (3)
123
Getuigen
Interlineair
1
ה֖וֹי עִ֣יר דָּמִ֑ים כֻּלָּ֗/הּ כַּ֤חַשׁ פֶּ֨רֶק֙ מְלֵאָ֔ה לֹ֥א יָמִ֖ישׁ טָֽרֶף
STATEN

Wee der bloedstad, die gans vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op.

2
ק֣וֹל שׁ֔וֹט וְ/ק֖וֹל רַ֣עַשׁ אוֹפָ֑ן וְ/ס֣וּס דֹּהֵ֔ר וּ/מֶרְכָּבָ֖ה מְרַקֵּדָֽה
STATEN

Er is het geklap der zweep, en het geluid van het bulderen der raderen; en de paarden stampen, en de wagens springen op.

3
פָּרָ֣שׁ מַעֲלֶ֗ה וְ/לַ֤הַב חֶ֨רֶב֙ וּ/בְרַ֣ק חֲנִ֔ית וְ/רֹ֥ב חָלָ֖ל וְ/כֹ֣בֶד פָּ֑גֶר וְ/אֵ֥ין קֵ֨צֶה֙ לַ/גְּוִיָּ֔ה יכשלו בִּ/גְוִיָּתָֽ/ם וְ/כָשְׁל֖וּ
STATEN

De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid der verslagenen zijn, en een zware menigte der dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hun lichamen struikelen;

4
מֵ/רֹב֙ זְנוּנֵ֣י זוֹנָ֔ה ט֥וֹבַת חֵ֖ן בַּעֲלַ֣ת כְּשָׁפִ֑ים הַ/מֹּכֶ֤רֶת גּוֹיִם֙ בִּ/זְנוּנֶ֔י/הָ וּ/מִשְׁפָּח֖וֹת בִּ/כְשָׁפֶֽי/הָ
STATEN

Om der grote hoererijen wil der zeer bevallige hoer, der meesteres der toverijen, die met haar hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen.

5
הִנְ/נִ֣י אֵלַ֗יִ/ךְ נְאֻם֙ יְהוָ֣ה צְבָא֔וֹת וְ/גִלֵּיתִ֥י שׁוּלַ֖יִ/ךְ עַל פָּנָ֑יִ/ךְ וְ/הַרְאֵיתִ֤י גוֹיִם֙ מַעְרֵ֔/ךְ וּ/מַמְלָכ֖וֹת קְלוֹנֵֽ/ךְ
STATEN

Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal den heidenen uw naaktheid, en den koninkrijken uw schande wijzen.

6
וְ/הִשְׁלַכְתִּ֥י עָלַ֛יִ/ךְ שִׁקֻּצִ֖ים וְ/נִבַּלְתִּ֑י/ךְ וְ/שַׂמְתִּ֖י/ךְ כְּ/רֹֽאִי
STATEN

En Ik zal verfoeilijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en Ik zal u als een spiegel stellen.

7
וְ/הָיָ֤ה כָל רֹאַ֨יִ/ךְ֙ יִדּ֣וֹד מִמֵּ֔/ךְ וְ/אָמַר֙ שָׁדְּדָ֣ה נִֽינְוֵ֔ה מִ֖י יָנ֣וּד לָ֑/הּ מֵ/אַ֛יִן אֲבַקֵּ֥שׁ מְנַחֲמִ֖ים לָֽ/ךְ
STATEN

En het zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen: Ninevé is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken?

8
הֲ/תֵֽיטְבִי֙ מִ/נֹּ֣א אָמ֔וֹן הַ/יֹּֽשְׁבָה֙ בַּ/יְאֹרִ֔ים מַ֖יִם סָבִ֣יב לָ֑/הּ אֲשֶׁר חֵ֣יל יָ֔ם מִ/יָּ֖ם חוֹמָתָֽ/הּ
STATEN

Zijt gij beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom henen water heeft, welker voormuur de zee is, haar muur is van zee.

9
כּ֥וּשׁ עָצְמָ֛/ה וּ/מִצְרַ֖יִם וְ/אֵ֣ין קֵ֑צֶה פּ֣וּט וְ/לוּבִ֔ים הָי֖וּ בְּ/עֶזְרָתֵֽ/ךְ
STATEN

Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put en Lybea waren tot uw hulp.

10
גַּם הִ֗יא לַ/גֹּלָה֙ הָלְכָ֣ה בַ/שֶּׁ֔בִי גַּ֧ם עֹלָלֶ֛י/הָ יְרֻטְּשׁ֖וּ בְּ/רֹ֣אשׁ כָּל חוּצ֑וֹת וְ/עַל נִכְבַּדֶּ֨י/הָ֙ יַדּ֣וּ גוֹרָ֔ל וְ/כָל גְּדוֹלֶ֖י/הָ רֻתְּק֥וּ בַ/זִּקִּֽים
STATEN

Nog is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden; en over haar geëerden hebben zij het lot geworpen, en al haar groten zijn in boeien gebonden geworden.

11
גַּם אַ֣תְּ תִּשְׁכְּרִ֔י תְּהִ֖י נַֽעֲלָמָ֑ה גַּם אַ֛תְּ תְּבַקְשִׁ֥י מָע֖וֹז מֵ/אוֹיֵֽב
STATEN

Ook zult gij dronken worden, gij zult u verbergen; ook zult gij een sterkte zoeken vanwege den vijand.

12
כָּ֨ל מִבְצָרַ֔יִ/ךְ תְּאֵנִ֖ים עִם בִּכּוּרִ֑ים אִם יִנּ֕וֹעוּ וְ/נָפְל֖וּ עַל פִּ֥י אוֹכֵֽל
STATEN

Al uw vastigheden zijn vijgebomen met de eerste vruchten; indien zij geschud worden, zo vallen zij dien op den mond, die ze eten wil.

13
הִנֵּ֨ה עַמֵּ֤/ךְ נָשִׁים֙ בְּ/קִרְבֵּ֔/ךְ לְ/אֹ֣יְבַ֔יִ/ךְ פָּת֥וֹחַ נִפְתְּח֖וּ שַׁעֲרֵ֣י אַרְצֵ֑/ךְ אָכְלָ֥ה אֵ֖שׁ בְּרִיחָֽיִ/ך
STATEN

Ziet, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden; de poorten uws lands zullen uw vijanden wijd geopend worden; het vuur zal uw grendelen verteren.

14
מֵ֤י מָצוֹר֙ שַֽׁאֲבִי לָ֔/ךְ חַזְּקִ֖י מִבְצָרָ֑יִ/ךְ בֹּ֧אִי בַ/טִּ֛יט וְ/רִמְסִ֥י בַ/חֹ֖מֶר הַחֲזִ֥יקִי מַלְבֵּֽן
STATEN

Schep u water ter belegering; versterk uw vastigheden; ga in de klei, en treed in het leem; verbeter den ticheloven.

15
שָׁ֚ם תֹּאכְלֵ֣/ךְ אֵ֔שׁ תַּכְרִיתֵ֣/ךְ חֶ֔רֶב תֹּאכְלֵ֖/ךְ כַּ/יָּ֑לֶק הִתְכַּבֵּ֣ד כַּ/יֶּ֔לֶק הִֽתְכַּבְּדִ֖י כָּ/אַרְבֶּֽה
STATEN

Het vuur zal u aldaar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers; vermeerder u als kevers, vermeerder u als sprinkhanen.

16
הִרְבֵּית֙ רֹֽכְלַ֔יִ/ךְ מִ/כּוֹכְבֵ֖י הַ/שָּׁמָ֑יִם יֶ֥לֶק פָּשַׁ֖ט וַ/יָּעֹֽף
STATEN

Gij hebt meer handelaars, dan er sterren aan den hemel zijn; de kevers zullen invallen, en er van vliegen.

17
מִנְּזָרַ֨יִ/ךְ֙ כָּֽ/אַרְבֶּ֔ה וְ/טַפְסְרַ֖יִ/ךְ כְּ/ג֣וֹב גֹּבָ֑י הַֽ/חוֹנִ֤ים בַּ/גְּדֵרוֹת֙ בְּ/י֣וֹם קָרָ֔ה שֶׁ֤מֶשׁ זָֽרְחָה֙ וְ/נוֹדַ֔ד וְ/לֹֽא נוֹדַ֥ע מְקוֹמ֖/וֹ אַיָּֽ/ם
STATEN

Uw gekroonden zijn als de sprinkhanen, en uw krijgsoversten als de grote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude der dagen; wanneer de zon opgaat, zo vliegen zij weg, alzo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn.

18
נָמ֤וּ רֹעֶ֨י/ךָ֙ מֶ֣לֶךְ אַשּׁ֔וּר יִשְׁכְּנ֖וּ אַדִּירֶ֑י/ךָ נָפֹ֧שׁוּ עַמְּ/ךָ֛ עַל הֶ/הָרִ֖ים וְ/אֵ֥ין מְקַבֵּֽץ
STATEN

Uw herders zullen sluimeren, o koning van Assur! uw voortreffelijken zullen zich leggen, uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen.

19
אֵין כֵּהָ֣ה לְ/שִׁבְרֶ֔/ךָ נַחְלָ֖ה מַכָּתֶ֑/ךָ כֹּ֣ל שֹׁמְעֵ֣י שִׁמְעֲ/ךָ֗ תָּ֤קְעוּ כַף֙ עָלֶ֔י/ךָ כִּ֗י עַל מִ֛י לֹֽא עָבְרָ֥ה רָעָתְ/ךָ֖ תָּמִֽיד
STATEN

Er is geen samentrekking voor uw breuk, uw plage is smartelijk; allen, die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen; want over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?