BRIEVEN

Filippenzen 3

Πρὸς Φιλιππησίους
Hoofdstukken (4)
1234
Getuigen
Interlineair
1
τολοιποναδελφοιμουχαιρετεενκυριωτααυταγραφεινυμινεμοιμενουκοκνηρονυμινδεασφαλες
STATEN

Voorts, mijn broeders, verblijdt u in den Heere. Dezelfde dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig, en het is u zeker.

2
βλεπετετουςκυναςβλεπετετουςκακουςεργαταςβλεπετετηνκατατομην
STATEN

Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding.

3
ημειςγαρεσμενηπεριτομηοιπνευματιθεωλατρευοντεςκαικαυχωμενοιενχριστωιησουκαιουκενσαρκιπεποιθοτες
STATEN

Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen.

4
καιπερεγωεχωνπεποιθησινκαιενσαρκιειτιςδοκειαλλοςπεποιθεναιενσαρκιεγωμαλλον
STATEN

Hoewel ik heb, dat ik ook in het vlees betrouwen mocht; indien iemand anders meent te betrouwen in het vlees, ik nog meer.

5
περιτομηοκταημεροςεκγενουςισραηλφυληςβενιαμινεβραιοςεξεβραιωνκατανομονφαρισαιος
STATEN

Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van den stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër;

6
καταζηλονδιωκωντηνεκκλησιανκαταδικαιοσυνηντηνεννομωγενομενοςαμεμπτος
STATEN

Naar den ijver een vervolger der Gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk.

7
αλλατιναηνμοικερδηταυταηγημαιδιατονχριστονζημιαν
STATEN

Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht.

8
αλλαμενουνγεκαιηγουμαιπανταζημιανειναιδιατουπερεχοντηςγνωσεωςχριστουιησουτουκυριουμουδιονταπανταεζημιωθηνκαιηγουμαισκυβαλαειναιιναχριστονκερδησω
STATEN

Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.

9
καιευρεθωεναυτωμηεχωνεμηνδικαιοσυνηντηνεκνομουαλλατηνδιαπιστεωςχριστουτηνεκθεουδικαιοσυνηνεπιτηπιστει
STATEN

En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof;

10
τουγνωναιαυτονκαιτηνδυναμιντηςαναστασεωςαυτουκαιτηνκοινωνιαντωνπαθηματωναυτουσυμμορφουμενοςτωθανατωαυτου
STATEN

Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende;

11
ειπωςκαταντησωειςτηνεξαναστασιντωννεκρων
STATEN

Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden.

12
ουχοτιηδηελαβονηηδητετελειωμαιδιωκωδεεικαικαταλαβωεφωκαικατεληφθηνυποτουχριστουιησου
STATEN

Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.

13
αδελφοιεγωεμαυτονουλογιζομαικατειληφεναιενδεταμενοπισωεπιλανθανομενοςτοιςδεεμπροσθενεπεκτεινομενος
STATEN

Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb.

14
κατασκοπονδιωκωεπιτοβραβειοντηςανωκλησεωςτουθεουενχριστωιησου
STATEN

Maar één ding doe ik, vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.

15
οσοιουντελειοιτουτοφρονωμενκαιειτιετερωςφρονειτεκαιτουτοοθεοςυμιναποκαλυqει
STATEN

Zovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen; en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren.

16
πληνειςοεφθασαμεντωαυτωστοιχεινκανονιτοαυτοφρονειν
STATEN

Doch, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen.

17
συμμιμηταιμουγινεσθεαδελφοικαισκοπειτετουςουτωςπεριπατουνταςκαθωςεχετετυπονημας
STATEN

Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt.

18
πολλοιγαρπεριπατουσινουςπολλακιςελεγονυμιννυνδεκαικλαιωνλεγωτουςεχθρουςτουσταυρουτουχριστου
STATEN

Want velen wandelen anders; van dewelken ik u dikmaals gezegd heb, en nu ook wenende zeg, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn;

19
ωντοτελοςαπωλειαωνοθεοςηκοιλιακαιηδοξαεντηαισχυνηαυτωνοιταεπιγειαφρονουντες
STATEN

Welker einde is het verderf, welker God is de buik, en welker heerlijkheid is in hun schande, dewelken aardse dingen bedenken.

20
ημωνγαρτοπολιτευμαενουρανοιςυπαρχειεξουκαισωτηρααπεκδεχομεθακυριονιησουνχριστον
STATEN

Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus;

21
οςμετασχηματισειτοσωματηςταπεινωσεωςημωνειςτογενεσθαιαυτοσυμμορφοντωσωματιτηςδοξηςαυτουκατατηνενεργειαντουδυνασθαιαυτονκαιυποταξαιεαυτωταπαντα
STATEN

Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.