BRIEVEN

Hebreeën 1

Πρὸς Ἑβραίους
Hoofdstukken (13)
12345678910111213
Getuigen
Interlineair
1
πολυμερωςκαιπολυτροπωςπαλαιοθεοςλαλησαςτοιςπατρασινεντοιςπροφηταιςεπεσχατωντωνημερωντουτωνελαλησενημινενυιω
STATEN

God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon;

2
ονεθηκενκληρονομονπαντωνδιουκαιτουςαιωναςεποιησεν
STATEN

Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft;

3
οςωναπαυγασματηςδοξηςκαιχαρακτηρτηςυποστασεωςαυτουφερωντεταπαντατωρηματιτηςδυναμεωςαυτουδιεαυτουκαθαρισμονποιησαμενοςτωναμαρτιωνημωνεκαθισενενδεξιατηςμεγαλωσυνηςενυqηλοις
STATEN

Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen;

4
τοσουτωκρειττωνγενομενοςτωναγγελωνοσωδιαφορωτερονπαραυτουςκεκληρονομηκενονομα
STATEN

Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geërfd heeft.

5
τινιγαρειπενποτετωναγγελωνυιοςμουεισυεγωσημερονγεγεννηκασεκαιπαλινεγωεσομαιαυτωειςπατερακαιαυτοςεσταιμοιειςυιον
STATEN

Want tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd? En wederom: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?

6
οτανδεπαλινεισαγαγητονπρωτοτοκονειςτηνοικουμενηνλεγεικαιπροσκυνησατωσαναυτωπαντεςαγγελοιθεου
STATEN

En als Hij wederom den Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen Gods Hem aanbidden.

7
καιπροςμεντουςαγγελουςλεγειοποιωντουςαγγελουςαυτουπνευματακαιτουςλειτουργουςαυτουπυροςφλογα
STATEN

En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaars een vlam des vuurs.

8
προςδετονυιονοθρονοςσουοθεοςειςτοναιωνατουαιωνοςραβδοςευθυτητοςηραβδοςτηςβασιλειαςσου
STATEN

Maar tot den Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter.

9
ηγαπησαςδικαιοσυνηνκαιεμισησαςανομιανδιατουτοεχρισενσεοθεοςοθεοςσουελαιοναγαλλιασεωςπαρατουςμετοχουςσου
STATEN

Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie der vreugde boven Uw medegenoten.

10
καισυκαταρχαςκυριετηνγηνεθεμελιωσαςκαιεργατωνχειρωνσουεισινοιουρανοι
STATEN

En: Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen;

11
αυτοιαπολουνταισυδεδιαμενειςκαιπαντεςωςιματιονπαλαιωθησονται
STATEN

Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;

12
καιωσειπεριβολαιονελιξειςαυτουςκαιαλλαγησονταισυδεοαυτοςεικαιταετησουουκεκλειqουσιν
STATEN

En als een dekkleed zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden.

13
προςτιναδετωναγγελωνειρηκενποτεκαθουεκδεξιωνμουεωςανθωτουςεχθρουςσουυποποδιοντωνποδωνσου
STATEN

En tot welken der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten?

14
ουχιπαντεςεισινλειτουργικαπνευματαειςδιακονιαναποστελλομεναδιατουςμελλονταςκληρονομεινσωτηριαν
STATEN

Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?