BRIEVEN

Hebreeën 12

Πρὸς Ἑβραίους
Hoofdstukken (13)
12345678910111213
Getuigen
Interlineair
1
τοιγαρουνκαιημειςτοσουτονεχοντεςπερικειμενονημιννεφοςμαρτυρωνογκοναποθεμενοιπαντακαιτηνευπεριστατοναμαρτιανδιυπομονηςτρεχωμεντονπροκειμενονημιναγωνα
STATEN

Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;

2
αφορωντεςειςτοντηςπιστεωςαρχηγονκαιτελειωτηνιησουνοςαντιτηςπροκειμενηςαυτωχαραςυπεμεινενσταυροναισχυνηςκαταφρονησαςενδεξιατετουθρονουτουθεουεκαθισεν
STATEN

Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God.

3
αναλογισασθεγαρτοντοιαυτηνυπομεμενηκοταυποτωναμαρτωλωνειςαυτοναντιλογιανιναμηκαμητεταιςqυχαιςυμωνεκλυομενοι
STATEN

Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.

4
ουπωμεχριςαιματοςαντικατεστητεπροςτηναμαρτιανανταγωνιζομενοι
STATEN

Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde;

5
καιεκλελησθετηςπαρακλησεωςητιςυμινωςυιοιςδιαλεγεταιυιεμουμηολιγωρειπαιδειαςκυριουμηδεεκλυουυπαυτουελεγχομενος
STATEN

En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt;

6
ονγαραγαπακυριοςπαιδευειμαστιγοιδεπανταυιονονπαραδεχεται
STATEN

Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, dien Hij aanneemt.

7
ειπαιδειανυπομενετεωςυιοιςυμινπροσφερεταιοθεοςτιςγαρεστινυιοςονουπαιδευειπατηρ
STATEN

Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?)

8
ειδεχωριςεστεπαιδειαςηςμετοχοιγεγονασινπαντεςαρανοθοιεστεκαιουχυιοι
STATEN

Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen.

9
ειτατουςμεντηςσαρκοςημωνπατεραςειχομενπαιδευταςκαιενετρεπομεθαουπολλωμαλλονυποταγησομεθατωπατριτωνπνευματωνκαιζησομεν
STATEN

Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven?

10
οιμενγαρπροςολιγαςημεραςκατατοδοκουναυτοιςεπαιδευονοδεεπιτοσυμφερονειςτομεταλαβειντηςαγιοτητοςαυτου
STATEN

Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden.

11
πασαδεπαιδειαπροςμεντοπαρονουδοκειχαραςειναιαλλαλυπηςυστερονδεκαρπονειρηνικοντοιςδιαυτηςγεγυμνασμενοιςαποδιδωσινδικαιοσυνης
STATEN

En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn.

12
διοταςπαρειμεναςχειραςκαιταπαραλελυμεναγοναταανορθωσατε
STATEN

Daarom richt weder op de trage handen, en de slappe knieën;

13
καιτροχιαςορθαςποιησατετοιςποσινυμωνιναμητοχωλονεκτραπηιαθηδεμαλλον
STATEN

En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.

14
ειρηνηνδιωκετεμεταπαντωνκαιτοναγιασμονουχωριςουδειςοqεταιτονκυριον
STATEN

Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;

15
επισκοπουντεςμητιςυστερωναποτηςχαριτοςτουθεουμητιςριζαπικριαςανωφυουσαενοχληκαιδιαταυτηςμιανθωσινπολλοι
STATEN

Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen ontreinigd worden.

16
μητιςπορνοςηβεβηλοςωςησαυοςαντιβρωσεωςμιαςαπεδοτοταπρωτοτοκιααυτου
STATEN

Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.

17
ιστεγαροτικαιμετεπειταθελωνκληρονομησαιτηνευλογιαναπεδοκιμασθημετανοιαςγαρτοπονουχευρενκαιπερμεταδακρυωνεκζητησαςαυτην
STATEN

Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.

18
ουγαρπροσεληλυθατεqηλαφωμενωορεικαικεκαυμενωπυρικαιγνοφωκαισκοτωκαιθυελλη
STATEN

Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder,

19
καισαλπιγγοςηχωκαιφωνηρηματωνηςοιακουσαντεςπαρητησαντομηπροστεθηναιαυτοιςλογον
STATEN

En tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden; welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden.

20
ουκεφερονγαρτοδιαστελλομενονκανθηριονθιγητουορουςλιθοβοληθησεταιηβολιδικατατοξευθησεται
STATEN

(Want zij konden niet dragen, hetgeen er geboden werd: Indien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal gestenigd of met een pijl doorschoten worden.

21
καιουτωςφοβερονηντοφανταζομενονμωσηςειπενεκφοβοςειμικαιεντρομος
STATEN

En Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zeide: Ik ben gans bevreesd en bevende).

22
αλλαπροσεληλυθατεσιωνορεικαιπολειθεουζωντοςιερουσαλημεπουρανιωκαιμυριασιναγγελων
STATEN

Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen;

23
πανηγυρεικαιεκκλησιαπρωτοτοκωνενουρανοιςαπογεγραμμενωνκαικριτηθεωπαντωνκαιπνευμασινδικαιωντετελειωμενων
STATEN

Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;

24
καιδιαθηκηςνεαςμεσιτηιησουκαιαιματιραντισμουκρειττοναλαλουντιπαρατοαβελ
STATEN

En tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.

25
βλεπετεμηπαραιτησησθετονλαλουνταειγαρεκεινοιουκεφυγοντονεπιτηςγηςπαραιτησαμενοιχρηματιζονταπολλωμαλλονημειςοιτοναπουρανωναποστρεφομενοι
STATEN

Ziet toe, dat gij Dien, Die spreekt, niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Dien afkeren, Die van de hemelen is;

26
ουηφωνητηνγηνεσαλευσεντοτενυνδεεπηγγελταιλεγωνετιαπαξεγωσειωουμονοντηνγηναλλακαιτονουρανον
STATEN

Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel.

27
τοδεετιαπαξδηλοιτωνσαλευομενωντηνμεταθεσινωςπεποιημενωνιναμεινηταμησαλευομενα
STATEN

En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn.

28
διοβασιλειανασαλευτονπαραλαμβανοντεςεχωμενχαρινδιηςλατρευωμενευαρεστωςτωθεωμετααιδουςκαιευλαβειας
STATEN

Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.

29
καιγαροθεοςημωνπυρκαταναλισκον
STATEN

Want onze God is een verterend vuur.