BRIEVEN

Hebreeën 10

Πρὸς Ἑβραίους
Hoofdstukken (13)
12345678910111213
Getuigen
Interlineair
1
σκιανγαρεχωνονομοςτωνμελλοντωναγαθωνουκαυτηντηνεικονατωνπραγματωνκατενιαυτονταιςαυταιςθυσιαιςαςπροσφερουσινειςτοδιηνεκεςουδεποτεδυναταιτουςπροσερχομενουςτελειωσαι
STATEN

Want de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan.

2
επειουκανεπαυσαντοπροσφερομεναιδιατομηδεμιανεχεινετισυνειδησιναμαρτιωντουςλατρευονταςαπαξκεκαθαρμενους
STATEN

Anderszins zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die den dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben der zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde;

3
αλλεναυταιςαναμνησιςαμαρτιωνκατενιαυτον
STATEN

Maar nu geschiedt in dezelve alle jaren weder gedachtenis der zonden.

4
αδυνατονγαραιματαυρωνκαιτραγωναφαιρειναμαρτιας
STATEN

Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.

5
διοεισερχομενοςειςτονκοσμονλεγειθυσιανκαιπροσφορανουκηθελησαςσωμαδεκατηρτισωμοι
STATEN

Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid;

6
ολοκαυτωματακαιπεριαμαρτιαςουκευδοκησας
STATEN

Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd.

7
τοτεειπονιδουηκωενκεφαλιδιβιβλιουγεγραπταιπεριεμουτουποιησαιοθεοςτοθελημασου
STATEN

Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!

8
ανωτερονλεγωνοτιθυσιανκαιπροσφορανκαιολοκαυτωματακαιπεριαμαρτιαςουκηθελησαςουδεευδοκησαςαιτινεςκατατοννομονπροσφερονται
STATEN

Als Hij te voren gezegd had: Slachtoffer, en offerande, en brandoffers, en offer voor de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden);

9
τοτεειρηκενιδουηκωτουποιησαιοθεοςτοθελημασουαναιρειτοπρωτονινατοδευτερονστηση
STATEN

Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen.

10
ενωθεληματιηγιασμενοιεσμενδιατηςπροσφοραςτουσωματοςτουιησουχριστουεφαπαξ
STATEN

In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied.

11
καιπαςμενιερευςεστηκενκαθημερανλειτουργωνκαιταςαυταςπολλακιςπροσφερωνθυσιαςαιτινεςουδεποτεδυνανταιπεριελειναμαρτιας
STATEN

En een iegelijk priester stond wel allen dag dienende, en dezelfde slachtofferen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen;

12
αυτοςδεμιανυπεραμαρτιωνπροσενεγκαςθυσιανειςτοδιηνεκεςεκαθισενενδεξιατουθεου
STATEN

Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods;

13
τολοιπονεκδεχομενοςεωςτεθωσινοιεχθροιαυτουυποποδιοντωνποδωναυτου
STATEN

Voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.

14
μιαγαρπροσφορατετελειωκενειςτοδιηνεκεςτουςαγιαζομενους
STATEN

Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.

15
μαρτυρειδεημινκαιτοπνευματοαγιονμεταγαρτοπροειρηκεναι
STATEN

En de Heilige Geest getuigt het ons ook;

16
αυτηηδιαθηκηηνδιαθησομαιπροςαυτουςμεταταςημεραςεκειναςλεγεικυριοςδιδουςνομουςμουεπικαρδιαςαυτωνκαιεπιτωνδιανοιωναυτωνεπιγραqωαυτους
STATEN

Want nadat Hij te voren gezegd had: Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden;

17
καιτωναμαρτιωναυτωνκαιτωνανομιωναυτωνουμημνησθωετι
STATEN

En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken.

18
οπουδεαφεσιςτουτωνουκετιπροσφοραπεριαμαρτιας
STATEN

Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde.

19
εχοντεςουναδελφοιπαρρησιανειςτηνεισοδοντωναγιωνεντωαιματιιησου
STATEN

Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,

20
ηνενεκαινισενημινοδονπροσφατονκαιζωσανδιατουκαταπετασματοςτουτεστιντηςσαρκοςαυτου
STATEN

Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees;

21
καιιερεαμεγανεπιτονοικοντουθεου
STATEN

En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods;

22
προσερχωμεθαμετααληθινηςκαρδιαςενπληροφοριαπιστεωςερραντισμενοιταςκαρδιαςαποσυνειδησεωςπονηραςκαιλελουμενοιτοσωμαυδατικαθαρω
STATEN

Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.

23
κατεχωμεντηνομολογιαντηςελπιδοςακλινηπιστοςγαροεπαγγειλαμενος
STATEN

Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw);

24
καικατανοωμεναλληλουςειςπαροξυσμοναγαπηςκαικαλωνεργων
STATEN

En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken;

25
μηεγκαταλειποντεςτηνεπισυναγωγηνεαυτωνκαθωςεθοςτισιναλλαπαρακαλουντεςκαιτοσουτωμαλλονοσωβλεπετεεγγιζουσαντηνημεραν
STATEN

En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.

26
εκουσιωςγαραμαρτανοντωνημωνμετατολαβειντηνεπιγνωσιντηςαληθειαςουκετιπεριαμαρτιωναπολειπεταιθυσια
STATEN

Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden;

27
φοβεραδετιςεκδοχηκρισεωςκαιπυροςζηλοςεσθιεινμελλοντοςτουςυπεναντιους
STATEN

Maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden.

28
αθετησαςτιςνομονμωσεωςχωριςοικτιρμωνεπιδυσινητρισινμαρτυσιναποθνησκει
STATEN

Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;

29
ποσωδοκειτεχειρονοςαξιωθησεταιτιμωριαςοτονυιοντουθεουκαταπατησαςκαιτοαιματηςδιαθηκηςκοινονηγησαμενοςενωηγιασθηκαιτοπνευματηςχαριτοςενυβρισας
STATEN

Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan?

30
οιδαμενγαρτονειπονταεμοιεκδικησιςεγωανταποδωσωλεγεικυριοςκαιπαλινκυριοςκρινειτονλαοναυτου
STATEN

Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Mijn is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen.

31
φοβεροντοεμπεσεινειςχειραςθεουζωντος
STATEN

Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods.

32
αναμιμνησκεσθεδεταςπροτερονημεραςεναιςφωτισθεντεςπολληναθλησινυπεμεινατεπαθηματων
STATEN

Doch gedenkt de vorige dagen, in dewelke, nadat gij verlicht zijt geweest, gij veel strijd des lijdens hebt verdragen.

33
τουτομενονειδισμοιςτεκαιθλιqεσινθεατριζομενοιτουτοδεκοινωνοιτωνουτωςαναστρεφομενωνγενηθεντες
STATEN

Ten dele, als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt; en ten dele, als gij gemeenschap gehad hebt met degenen, die alzo behandeld werden.

34
καιγαρτοιςδεσμοιςμουσυνεπαθησατεκαιτηναρπαγηντωνυπαρχοντωνυμωνμεταχαραςπροσεδεξασθεγινωσκοντεςεχεινενεαυτοιςκρειττοναυπαρξινενουρανοιςκαιμενουσαν
STATEN

Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen.

35
μηαποβαλητεουντηνπαρρησιανυμωνητιςεχειμισθαποδοσιανμεγαλην
STATEN

Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.

36
υπομονηςγαρεχετεχρειανινατοθεληματουθεουποιησαντεςκομισησθετηνεπαγγελιαν
STATEN

Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen;

37
ετιγαρμικρονοσονοσονοερχομενοςηξεικαιουχρονιει
STATEN

Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.

38
οδεδικαιοςεκπιστεωςζησεταικαιεανυποστειληταιουκευδοκειηqυχημουεναυτω
STATEN

Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.

39
ημειςδεουκεσμενυποστοληςειςαπωλειαναλλαπιστεωςειςπεριποιησινqυχης
STATEN

Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen, die geloven tot behouding der ziel.