BRIEVEN

Hebreeën 2

Πρὸς Ἑβραίους
Hoofdstukken (13)
12345678910111213
Getuigen
Interlineair
1
διατουτοδειπερισσοτερωςημαςπροσεχειντοιςακουσθεισινμηποτεπαραρρυωμεν
STATEN

Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien.

2
ειγαροδιαγγελωνλαληθειςλογοςεγενετοβεβαιοςκαιπασαπαραβασιςκαιπαρακοηελαβενενδικονμισθαποδοσιαν
STATEN

Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft;

3
πωςημειςεκφευξομεθατηλικαυτηςαμελησαντεςσωτηριαςητιςαρχηνλαβουσαλαλεισθαιδιατουκυριουυποτωνακουσαντωνειςημαςεβεβαιωθη
STATEN

Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben;

4
συνεπιμαρτυρουντοςτουθεουσημειοιςτεκαιτερασινκαιποικιλαιςδυναμεσινκαιπνευματοςαγιουμερισμοιςκατατηναυτουθελησιν
STATEN

God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijn wil.

5
ουγαραγγελοιςυπεταξεντηνοικουμενηντηνμελλουσανπεριηςλαλουμεν
STATEN

Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken.

6
διεμαρτυρατοδεπουτιςλεγωντιεστινανθρωποςοτιμιμνησκηαυτουηυιοςανθρωπουοτιεπισκεπτηαυτον
STATEN

Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt!

7
ηλαττωσαςαυτονβραχυτιπαραγγελουςδοξηκαιτιμηεστεφανωσαςαυτονκαικατεστησαςαυτονεπιταεργατωνχειρωνσου
STATEN

Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen;

8
πανταυπεταξαςυποκατωτωνποδωναυτουενγαρτωυποταξαιαυτωταπανταουδεναφηκεναυτωανυποτακτοννυνδεουπωορωμεναυτωταπανταυποτεταγμενα
STATEN

Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;

9
τονδεβραχυτιπαραγγελουςηλαττωμενονβλεπομενιησουνδιατοπαθηματουθανατουδοξηκαιτιμηεστεφανωμενονοπωςχαριτιθεουυπερπαντοςγευσηταιθανατου
STATEN

Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou.

10
επρεπενγαραυτωδιονταπαντακαιδιουταπανταπολλουςυιουςειςδοξαναγαγοντατοναρχηγοντηςσωτηριαςαυτωνδιαπαθηματωντελειωσαι
STATEN

Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.

11
οτεγαραγιαζωνκαιοιαγιαζομενοιεξενοςπαντεςδιηναιτιανουκεπαισχυνεταιαδελφουςαυτουςκαλειν
STATEN

Want èn Hij, Die heiligt, èn zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen.

12
λεγωναπαγγελωτοονομασουτοιςαδελφοιςμουενμεσωεκκλησιαςυμνησωσε
STATEN

Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen.

13
καιπαλινεγωεσομαιπεποιθωςεπαυτωκαιπαλινιδουεγωκαιταπαιδιααμοιεδωκενοθεος
STATEN

En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.

14
επειουνταπαιδιακεκοινωνηκενσαρκοςκαιαιματοςκαιαυτοςπαραπλησιωςμετεσχεντωναυτωνιναδιατουθανατουκαταργησητοντοκρατοςεχοντατουθανατουτουτεστιντονδιαβολον
STATEN

Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;

15
καιαπαλλαξητουτουςοσοιφοβωθανατουδιαπαντοςτουζηνενοχοιησανδουλειας
STATEN

En verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren.

16
ουγαρδηπουαγγελωνεπιλαμβανεταιαλλασπερματοςαβρααμεπιλαμβανεται
STATEN

Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.

17
οθενωφειλενκαταπαντατοιςαδελφοιςομοιωθηναιιναελεημωνγενηταικαιπιστοςαρχιερευςταπροςτονθεονειςτοιλασκεσθαιταςαμαρτιαςτουλαου
STATEN

Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.

18
ενωγαρπεπονθεναυτοςπειρασθειςδυναταιτοιςπειραζομενοιςβοηθησαι
STATEN

Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.