Ga naar inhoud
KETUVIM

Klaagliederen 4

אֵיכָה
Hoofdstukken (5)← → toetsen
12345
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
אֵיכָה֙ יוּעַ֣ם זָהָ֔ב יִשְׁנֶ֖א הַ/כֶּ֣תֶם הַ/טּ֑וֹב תִּשְׁתַּפֵּ֨כְנָה֙ אַבְנֵי קֹ֔דֶשׁ בְּ/רֹ֖אשׁ כָּל חוּצֽוֹת־־׃ס
STATEN

Aleph. Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hoe zijn de stenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen!

2
בְּנֵ֤י צִיּוֹן֙ הַ/יְקָרִ֔ים הַ/מְסֻלָּאִ֖ים בַּ/פָּ֑ז אֵיכָ֤ה נֶחְשְׁבוּ֙ לְ/נִבְלֵי חֶ֔רֶשׂ מַעֲשֵׂ֖ה יְדֵ֥י יוֹצֵֽר־׃ס
STATEN

Beth. De kostelijke kinderen Sions, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flessen, het werk van de handen eens pottenbakkers!

3
גַּם תנין חָ֣לְצוּ שַׁ֔ד הֵינִ֖יקוּ גּוּרֵי/הֶ֑ן בַּת עַמִּ֣/י לְ/אַכְזָ֔ר כי ענים בַּ/מִּדְבָּֽר־־׃ס תַּנִּים֙ כַּ/יְעֵנִ֖ים
STATEN

Gimel. Zelfs laten de zeekalveren de borsten neder, zij zogen hun welpen; maar de dochter mijns volks is als een wrede geworden, gelijk de struisen in de woestijn.

4
דָּבַ֨ק לְשׁ֥וֹן יוֹנֵ֛ק אֶל חכּ֖/וֹ בַּ/צָּמָ֑א עֽוֹלָלִים֙ שָׁ֣אֲלוּ לֶ֔חֶם פֹּרֵ֖שׂ אֵ֥ין לָ/הֶֽם־׃ס
STATEN

Daleth. De tong van het zoogkind kleeft aan zijn gehemelte van dorst; de kinderkens eisen brood, er is niemand, die het hun mededeelt.

5
הָ/אֹֽכְלִים֙ לְ/מַ֣עֲדַנִּ֔ים נָשַׁ֖מּוּ בַּ/חוּצ֑וֹת הָ/אֱמֻנִים֙ עֲלֵ֣י תוֹלָ֔ע חִבְּק֖וּ אַשְׁפַּתּֽוֹת׃ס
STATEN

He. Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgetrokken zijn, omhelzen den drek.

6
וַ/יִּגְדַּל֙ עֲוֺ֣ן בַּת עַמִּ֔/י מֵֽ/חַטַּ֖את סְדֹ֑ם הַֽ/הֲפוּכָ֣ה כְמוֹ רָ֔גַע וְ/לֹא חָ֥לוּ בָ֖/הּ יָדָֽיִם־־־׃ס
STATEN

Vau. En de ongerechtigheid der dochter mijns volks is groter dan de zonden van Sódom, dat als in een ogenblik omgekeerd werd, en geen handen hadden arbeid over haar.

7
זַכּ֤וּ נְזִירֶ֨י/הָ֙ מִ/שֶּׁ֔לֶג צַח֖וּ מֵ/חָלָ֑ב אָ֤דְמוּ עֶ֨צֶם֙ מִ/פְּנִינִ֔ים סַפִּ֖יר גִּזְרָתָֽ/ם׃ס
STATEN

Zain. Haar bijzondersten waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk; zij waren roder van lichaam dan robijnen, gladder dan een saffier.

8
חָשַׁ֤ךְ מִ/שְּׁחוֹר֙ תָּֽאֳרָ֔/ם לֹ֥א נִכְּר֖וּ בַּ/חוּצ֑וֹת צָפַ֤ד עוֹרָ/ם֙ עַל עַצְמָ֔/ם יָבֵ֖שׁ הָיָ֥ה כָ/עֵֽץ־׃ס
STATEN

Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout.

9
טוֹבִ֤ים הָיוּ֙ חַלְלֵי חֶ֔רֶב מֵֽ/חַלְלֵ֖י רָעָ֑ב שֶׁ֣/הֵ֤ם יָז֨וּבוּ֙ מְדֻקָּרִ֔ים מִ/תְּנוּבֹ֖ת שָׂדָֽי־׃ס
STATEN

Teth. De verslagenen van het zwaard zijn gelukkiger dan de verslagenen van den honger; want die vlieten daarhenen, als doorstoken zijnde, omdat er geen vruchten der velden zijn.

10
יְדֵ֗י נָשִׁים֙ רַחֲמָ֣נִיּ֔וֹת בִּשְּׁל֖וּ יַלְדֵי/הֶ֑ן הָי֤וּ לְ/בָרוֹת֙ לָ֔/מוֹ בְּ/שֶׁ֖בֶר בַּת עַמִּֽ/י־׃ס
STATEN

Jod. De handen der barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot spijze geworden in de verbreking der dochter mijns volks.

11
כִּלָּ֤ה יְהוָה֙ אֶת חֲמָת֔/וֹ שָׁפַ֖ךְ חֲר֣וֹן אַפּ֑/וֹ וַ/יַּצֶּת אֵ֣שׁ בְּ/צִיּ֔וֹן וַ/תֹּ֖אכַל יְסוֹדֹתֶֽי/הָ־־׃ס
STATEN

Caph. De HEERE heeft Zijn grimmigheid volbracht, Hij heeft de hittigheid Zijns toorns uitgestort; en Hij heeft te Sion een vuur aangestoken, hetwelk haar fondamenten verteerd heeft.

12
לֹ֤א הֶאֱמִ֨ינוּ֙ מַלְכֵי אֶ֔רֶץ ו/כל יֹשְׁבֵ֣י תֵבֵ֑ל כִּ֤י יָבֹא֙ צַ֣ר וְ/אוֹיֵ֔ב בְּ/שַׁעֲרֵ֖י יְרוּשָׁלִָֽם־׃ס כֹּ֖ל
STATEN

Lamed. De koningen der aarde zouden het niet geloofd hebben, noch al de inwoners der wereld, dat de tegenpartijder en vijand tot de poorten van Jeruzalem zou ingaan.

Op De Naamdragers

Blogs over Klaagliederen 4

Nog geen artikelen die specifiek naar Klaagliederen 4 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →