Ga naar inhoud
KETUVIM

Klaagliederen 1

אֵיכָה
Hoofdstukken (5)← → toetsen
12345
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
0
1
אֵיכָ֣ה יָשְׁבָ֣ה בָדָ֗ד הָ/עִיר֙ רַבָּ֣תִי עָ֔ם הָיְתָ֖ה כְּ/אַלְמָנָ֑ה רַּבָּ֣תִי בַ/גּוֹיִ֗ם שָׂרָ֨תִי֙ בַּ/מְּדִינ֔וֹת הָיְתָ֖ה לָ/מַֽס׀׃ס
STATEN

Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is cijnsbaar geworden.

2
בָּכ֨וֹ תִבְכֶּ֜ה בַּ/לַּ֗יְלָה וְ/דִמְעָתָ/הּ֙ עַ֣ל לֶֽחֱיָ֔/הּ אֵֽין לָ֥/הּ מְנַחֵ֖ם מִ/כָּל אֹהֲבֶ֑י/הָ כָּל רֵעֶ֨י/הָ֙ בָּ֣גְדוּ בָ֔/הּ הָ֥יוּ לָ֖/הּ לְ/אֹיְבִֽים־־־׃ס
STATEN

Beth. Zij weent steeds des nachts, en haar tranen lopen over haar kinnebakken; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouwelooslijk met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden.

3
גָּֽלְתָ֨ה יְהוּדָ֤ה מֵ/עֹ֨נִי֙ וּ/מֵ/רֹ֣ב עֲבֹדָ֔ה הִ֚יא יָשְׁבָ֣ה בַ/גּוֹיִ֔ם לֹ֥א מָצְאָ֖ה מָנ֑וֹחַ כָּל רֹדְפֶ֥י/הָ הִשִּׂיג֖וּ/הָ בֵּ֥ין הַ/מְּצָרִֽים־׃ס
STATEN

Gimel. Juda is in gevangenis gegaan vanwege de ellende, en vanwege de veelheid der dienstbaarheid; zij woont onder de heidenen, zij vindt geen rust; al haar vervolgers achterhalen ze tussen de engten.

4
דַּרְכֵ֨י צִיּ֜וֹן אֲבֵל֗וֹת מִ/בְּלִי֙ בָּאֵ֣י מוֹעֵ֔ד כָּל שְׁעָרֶ֨י/הָ֙ שֽׁוֹמֵמִ֔ין כֹּהֲנֶ֖י/הָ נֶאֱנָחִ֑ים בְּתוּלֹתֶ֥י/הָ נּוּג֖וֹת וְ/הִ֥יא מַר לָֽ/הּ־־׃ס
STATEN

Daleth. De wegen Sions treuren, omdat niemand op het feest komt; al haar poorten zijn woest, haar priesters zuchten: haar jonkvrouwen zijn bedroefd, en zij zelve is in bitterheid.

5
הָי֨וּ צָרֶ֤י/הָ לְ/רֹאשׁ֙ אֹיְבֶ֣י/הָ שָׁל֔וּ כִּֽי יְהוָ֥ה הוֹגָ֖/הּ עַ֣ל רֹב פְּשָׁעֶ֑י/הָ עוֹלָלֶ֛י/הָ הָלְכ֥וּ שְׁבִ֖י לִ/פְנֵי צָֽר־־־׃ס
STATEN

He. Haar tegenpartijders zijn ten hoofd geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar de HEERE bedroefd heeft, vanwege de veelheid harer overtredingen; haar kinderkens gaan henen in de gevangenis voor het aangezicht des tegenpartijders.

6
וַ/יֵּצֵ֥א מן בת צִיּ֖וֹן כָּל הֲדָרָ֑/הּ הָי֣וּ שָׂרֶ֗י/הָ כְּ/אַיָּלִים֙ לֹא מָצְא֣וּ מִרְעֶ֔ה וַ/יֵּלְכ֥וּ בְ/לֹא כֹ֖חַ לִ/פְנֵ֥י רוֹדֵֽף־־־־־׃ס מִ/בַּת
STATEN

Vau. En van de dochter Sions is al haar sieraad weggegaan; haar vorsten zijn als de herten, die geen weide vinden, en zij gaan krachteloos henen voor het aangezicht des vervolgers.

7
זָֽכְרָ֣ה יְרוּשָׁלִַ֗ם יְמֵ֤י עָנְיָ/הּ֙ וּ/מְרוּדֶ֔י/הָ כֹּ֚ל מַחֲמֻדֶ֔י/הָ אֲשֶׁ֥ר הָי֖וּ מִ֣/ימֵי קֶ֑דֶם בִּ/נְפֹ֧ל עַמָּ֣/הּ בְּ/יַד צָ֗ר וְ/אֵ֤ין עוֹזֵר֙ לָ֔/הּ רָא֣וּ/הָ צָרִ֔ים שָׂחֲק֖וּ עַ֥ל מִשְׁבַּתֶּֽ/הָ־׃ס
STATEN

Zain. Jeruzalem is, in de dagen harer ellende en harer veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; dewijl haar volk door de hand des tegenpartijders valt, en zij geen helper heeft; de tegenpartijders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen.

8
חֵ֤טְא חָֽטְאָה֙ יְר֣וּשָׁלִַ֔ם עַל כֵּ֖ן לְ/נִידָ֣ה הָיָ֑תָה כָּֽל מְכַבְּדֶ֤י/הָ הִזִּיל֨וּ/הָ֙ כִּי רָא֣וּ עֶרְוָתָ֔/הּ גַּם הִ֥יא נֶאֶנְחָ֖ה וַ/תָּ֥שָׁב אָחֽוֹר־־־־׃ס
STATEN

Cheth. Jeruzalem heeft zwaarlijk gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, dewijl zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd.

9
טֻמְאָתָ֣/הּ בְּ/שׁוּלֶ֗י/הָ לֹ֤א זָֽכְרָה֙ אַחֲרִיתָ֔/הּ וַ/תֵּ֣רֶד פְּלָאִ֔ים אֵ֥ין מְנַחֵ֖ם לָ֑/הּ רְאֵ֤ה יְהוָה֙ אֶת עָנְיִ֔/י כִּ֥י הִגְדִּ֖יל אוֹיֵֽב־׃ס
STATEN

Teth. Haar onreinheid is in haar zomen, zij heeft niet gedacht aan haar uiterste, daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald; zij heeft geen trooster. HEERE, zie mijn ellende aan, want de vijand maakt zich groot.

10
יָד/וֹ֙ פָּ֣רַשׂ צָ֔ר עַ֖ל כָּל מַחֲמַדֶּ֑י/הָ כִּֽי רָאֲתָ֤ה גוֹיִם֙ בָּ֣אוּ מִקְדָּשָׁ֔/הּ אֲשֶׁ֣ר צִוִּ֔יתָה לֹא יָבֹ֥אוּ בַ/קָּהָ֖ל לָֽ/ךְ־־־׃ס
STATEN

Jod. De tegenpartijder heeft zijn hand aan al haar gewenste dingen uitgebreid; immers heeft zij aangezien, dat de heidenen in haar heiligdom gingen, waarvan Gij geboden hadt, dat zij in Uw gemeente niet komen zouden.

11
כָּל עַמָּ֤/הּ נֶאֱנָחִים֙ מְבַקְּשִׁ֣ים לֶ֔חֶם נָתְנ֧וּ מחמודי/הם בְּ/אֹ֖כֶל לְ/הָשִׁ֣יב נָ֑פֶשׁ רְאֵ֤ה יְהוָה֙ וְֽ/הַבִּ֔יטָ/ה כִּ֥י הָיִ֖יתִי זוֹלֵלָֽה־׃ס מַחֲמַדֵּי/הֶ֛ם
STATEN

Caph. Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor spijs gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, HEERE, en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben.

Op De Naamdragers

Blogs over Klaagliederen 1

Nog geen artikelen die specifiek naar Klaagliederen 1 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →