KETUVIM

Klaagliederen 5

אֵיכָה
Hoofdstukken (5)
12345
Getuigen
Interlineair
1
זְכֹ֤ר יְהוָה֙ מֶֽה הָ֣יָה לָ֔/נוּ הביט וּ/רְאֵ֥ה אֶת חֶרְפָּתֵֽ/נוּ הַבִּ֖יטָ/ה
STATEN

Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan.

2
נַחֲלָתֵ֨/נוּ֙ נֶֽהֶפְכָ֣ה לְ/זָרִ֔ים בָּתֵּ֖י/נוּ לְ/נָכְרִֽים
STATEN

Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders.

3
יְתוֹמִ֤ים הָיִ֨ינוּ֙ אין אָ֔ב אִמֹּתֵ֖י/נוּ כְּ/אַלְמָנֽוֹת וְ/אֵ֣ין
STATEN

Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.

4
מֵימֵ֨י/נוּ֙ בְּ/כֶ֣סֶף שָׁתִ֔ינוּ עֵצֵ֖י/נוּ בִּ/מְחִ֥יר יָבֹֽאוּ
STATEN

Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout komt ons op prijs te staan.

5
עַ֤ל צַוָּארֵ֨/נוּ֙ נִרְדָּ֔פְנוּ יָגַ֖עְנוּ לא הֽוּנַ֖ח לָֽ/נוּ וְ/לֹ֥א
STATEN

Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij woede, men laat ons geen rust.

6
מִצְרַ֨יִם֙ נָתַ֣נּוּ יָ֔ד אַשּׁ֖וּר לִ/שְׂבֹּ֥עַֽ לָֽחֶם
STATEN

Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven, en den Assyriër, om met brood verzadigd te worden.

7
אֲבֹתֵ֤י/נוּ חָֽטְאוּ֙ אינ/ם אנחנו עֲוֺנֹתֵי/הֶ֥ם סָבָֽלְנוּ וְ/אֵינָ֔/ם וַ/אֲנַ֖חְנוּ
STATEN

Onze vaders hebben gezondigd, en zijn niet meer, en wij dragen hun ongerechtigheden.

8
עֲבָדִים֙ מָ֣שְׁלוּ בָ֔/נוּ פֹּרֵ֖ק אֵ֥ין מִ/יָּדָֽ/ם
STATEN

Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.

9
בְּ/נַפְשֵׁ֨/נוּ֙ נָבִ֣יא לַחְמֵ֔/נוּ מִ/פְּנֵ֖י חֶ֥רֶב הַ/מִּדְבָּֽר
STATEN

Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen, vanwege het zwaard der woestijn.

10
עוֹרֵ֨/נוּ֙ כְּ/תַנּ֣וּר נִכְמָ֔רוּ מִ/פְּנֵ֖י זַלְעֲפ֥וֹת רָעָֽב
STATEN

Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege den geweldigen storm des hongers.

11
נָשִׁים֙ בְּ/צִיּ֣וֹן עִנּ֔וּ בְּתֻלֹ֖ת בְּ/עָרֵ֥י יְהוּדָֽה
STATEN

Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda.

12
שָׂרִים֙ בְּ/יָדָ֣/ם נִתְל֔וּ פְּנֵ֥י זְקֵנִ֖ים לֹ֥א נֶהְדָּֽרוּ
STATEN

De vorsten zijn door hunlieder hand opgehangen; de aangezichten der ouden zijn niet geëerd geweest.

13
בַּחוּרִים֙ טְח֣וֹן נָשָׂ֔אוּ וּ/נְעָרִ֖ים בָּ/עֵ֥ץ כָּשָֽׁלוּ
STATEN

Zij hebben de jongelingen weggenomen, om te malen, en de jongens struikelen onder het hout.

14
זְקֵנִים֙ מִ/שַּׁ֣עַר שָׁבָ֔תוּ בַּחוּרִ֖ים מִ/נְּגִינָתָֽ/ם
STATEN

De ouden houden op van de poort, de jongelingen van hun snarenspel.

15
שָׁבַת֙ מְשׂ֣וֹשׂ לִבֵּ֔/נוּ נֶהְפַּ֥ךְ לְ/אֵ֖בֶל מְחֹלֵֽ/נוּ
STATEN

De vreugde onzes harten houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd.

16
נָֽפְלָה֙ עֲטֶ֣רֶת רֹאשֵׁ֔/נוּ אֽוֹי נָ֥א לָ֖/נוּ כִּ֥י חָטָֽאנוּ
STATEN

De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben!

17
עַל זֶ֗ה הָיָ֤ה דָוֶה֙ לִבֵּ֔/נוּ עַל אֵ֖לֶּה חָשְׁכ֥וּ עֵינֵֽי/נוּ
STATEN

Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden.

18
עַ֤ל הַר צִיּוֹן֙ שֶׁ/שָּׁמֵ֔ם שׁוּעָלִ֖ים הִלְּכוּ בֽ/וֹ
STATEN

Om des bergs Sions wil, die verwoest is, waar de vossen op lopen.

19
אַתָּ֤ה יְהוָה֙ לְ/עוֹלָ֣ם תֵּשֵׁ֔ב כִּסְאֲ/ךָ֖ לְ/דֹ֥ר וָ/דֽוֹר
STATEN

Gij, o HEERE, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht.

20
לָ֤/מָּה לָ/נֶ֨צַח֙ תִּשְׁכָּחֵ֔/נוּ תַּֽעַזְבֵ֖/נוּ לְ/אֹ֥רֶךְ יָמִֽים
STATEN

Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo langen tijd verlaten?

21
הֲשִׁיבֵ֨/נוּ יְהוָ֤ה אֵלֶ֨י/ךָ֙ ו/נשוב חַדֵּ֥שׁ יָמֵ֖י/נוּ כְּ/קֶֽדֶם וְֽ/נָשׁ֔וּבָה
STATEN

HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.

22
כִּ֚י אִם מָאֹ֣ס מְאַסְתָּ֔/נוּ קָצַ֥פְתָּ עָלֵ֖י/נוּ עַד מְאֹֽד
STATEN

Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?