NEVIIM

Micha 1

מִיכָה
Hoofdstukken (7)
1234567
Getuigen
Interlineair
1
דְּבַר יְהוָ֣ה אֲשֶׁ֣ר הָיָ֗ה אֶל מִיכָה֙ הַ/מֹּ֣רַשְׁתִּ֔י בִּ/ימֵ֥י יוֹתָ֛ם אָחָ֥ז יְחִזְקִיָּ֖ה מַלְכֵ֣י יְהוּדָ֑ה אֲשֶׁר חָזָ֥ה עַל שֹׁמְר֖וֹן וִ/ירֽוּשָׁלִָֽם
STATEN

Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Micha, den Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkía, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.

2
שִׁמְעוּ֙ עַמִּ֣ים כֻּלָּ֔/ם הַקְשִׁ֖יבִי אֶ֣רֶץ וּ/מְלֹאָ֑/הּ וִ/יהִי֩ אֲדֹנָ֨/י יְהוִ֤ה בָּ/כֶם֙ לְ/עֵ֔ד אֲדֹנָ֖/י מֵ/הֵיכַ֥ל קָדְשֽׁ/וֹ
STATEN

Hoort, gij volken altemaal! merk op, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid! de Heere HEERE nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden, de Heere uit den tempel Zijner heiligheid.

3
כִּֽי הִנֵּ֥ה יְהוָ֖ה יֹצֵ֣א מִ/מְּקוֹמ֑/וֹ וְ/יָרַ֥ד וְ/דָרַ֖ךְ עַל במותי אָֽרֶץ בָּ֥מֳתֵי
STATEN

Want ziet, de HEERE gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten der aarde.

4
וְ/נָמַ֤סּוּ הֶֽ/הָרִים֙ תַּחְתָּ֔י/ו וְ/הָ/עֲמָקִ֖ים יִתְבַּקָּ֑עוּ כַּ/דּוֹנַג֙ מִ/פְּנֵ֣י הָ/אֵ֔שׁ כְּ/מַ֖יִם מֻגָּרִ֥ים בְּ/מוֹרָֽד
STATEN

En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte.

5
בְּ/פֶ֤שַׁע יַֽעֲקֹב֙ כָּל זֹ֔את וּ/בְ/חַטֹּ֖אות בֵּ֣ית יִשְׂרָאֵ֑ל מִֽי פֶ֣שַׁע יַעֲקֹ֗ב הֲ/לוֹא֙ שֹֽׁמְר֔וֹן וּ/מִי֙ בָּמ֣וֹת יְהוּדָ֔ה הֲ/ל֖וֹא יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

Dit alles, om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis Israëls; wie is het begin van de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wie van de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem?

6
וְ/שַׂמְתִּ֥י שֹׁמְר֛וֹן לְ/עִ֥י הַ/שָּׂדֶ֖ה לְ/מַטָּ֣עֵי כָ֑רֶם וְ/הִגַּרְתִּ֤י לַ/גַּי֙ אֲבָנֶ֔י/הָ וִ/יסֹדֶ֖י/הָ אֲגַלֶּֽה
STATEN

Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fondamenten ontdekken.

7
וְ/כָל פְּסִילֶ֣י/הָ יֻכַּ֗תּוּ וְ/כָל אֶתְנַנֶּ֨י/הָ֙ יִשָּׂרְפ֣וּ בָ/אֵ֔שׁ וְ/כָל עֲצַבֶּ֖י/הָ אָשִׂ֣ים שְׁמָמָ֑ה כִּ֠י מֵ/אֶתְנַ֤ן זוֹנָה֙ קִבָּ֔צָה וְ/עַד אֶתְנַ֥ן זוֹנָ֖ה יָשֽׁוּבוּ
STATEN

En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeren.

8
עַל זֹאת֙ אֶסְפְּדָ֣ה וְ/אֵילִ֔ילָה אֵילְכָ֥ה שילל וְ/עָר֑וֹם אֶעֱשֶׂ֤ה מִסְפֵּד֙ כַּ/תַּנִּ֔ים וְ/אֵ֖בֶל כִּ/בְנ֥וֹת יַעֲנָֽה שׁוֹלָ֖ל
STATEN

Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal misbaar maken als de draken, en treuring als de jonge struisen.

9
כִּ֥י אֲנוּשָׁ֖ה מַכּוֹתֶ֑י/הָ כִּי בָ֨אָה֙ עַד יְהוּדָ֔ה נָגַ֛ע עַד שַׁ֥עַר עַמִּ֖/י עַד יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem.

10
בְּ/גַת֙ אַל תַּגִּ֔ידוּ בָּכ֖וֹ אַל תִּבְכּ֑וּ בְּ/בֵ֣ית לְעַפְרָ֔ה עָפָ֖ר התפלשתי הִתְפַּלָּֽשִׁי
STATEN

Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra.

11
עִבְרִ֥י לָ/כֶ֛ם יוֹשֶׁ֥בֶת שָׁפִ֖יר עֶרְיָה בֹ֑שֶׁת לֹ֤א יָֽצְאָה֙ יוֹשֶׁ֣בֶת צַֽאֲנָ֔ן מִסְפַּד֙ בֵּ֣ית הָאֵ֔צֶל יִקַּ֥ח מִ/כֶּ֖ם עֶמְדָּתֽ/וֹ
STATEN

Ga door, gij inwoneres van Safir! met blote schaamte; de inwoneres van Zaänan gaat niet uit; rouwklage is te Beth-haëzel; Hij zal Zijn stand van ulieden nemen.

12
כִּֽי חָ֥לָֽה לְ/ט֖וֹב יוֹשֶׁ֣בֶת מָר֑וֹת כִּֽי יָ֤רַד רָע֙ מֵ/אֵ֣ת יְהוָ֔ה לְ/שַׁ֖עַר יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

Want de inwoneres van Marôth is krank om des goeds wil; want een kwaad is van den HEERE afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem.

13
רְתֹ֧ם הַ/מֶּרְכָּבָ֛ה לָ/רֶ֖כֶשׁ יוֹשֶׁ֣בֶת לָכִ֑ישׁ רֵאשִׁ֨ית חַטָּ֥את הִיא֙ לְ/בַת צִיּ֔וֹן כִּי בָ֥/ךְ נִמְצְא֖וּ פִּשְׁעֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Span de snelle dieren aan den wagen, gij inwoners van Lachis! (deze is der dochter Sions het beginsel der zonde) want in u zijn Israëls overtredingen gevonden.

14
לָ/כֵן֙ תִּתְּנִ֣י שִׁלּוּחִ֔ים עַ֖ל מוֹרֶ֣שֶׁת גַּ֑ת בָּתֵּ֤י אַכְזִיב֙ לְ/אַכְזָ֔ב לְ/מַלְכֵ֖י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Daarom geef geschenken aan Moréscheth-Gaths; de huizen van Achzib zullen den koningen van Israël tot een leugen zijn.

15
עֹ֗ד הַ/יֹּרֵשׁ֙ אָ֣בִי לָ֔/ךְ יוֹשֶׁ֖בֶת מָֽרֵשָׁ֑ה עַד עֲדֻּלָּ֥ם יָב֖וֹא כְּב֥וֹד יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Ik zal u nog een erfgenaam toebrengen, gij inwoneres van Marésa! Hij zal komen tot aan Adullam, tot aan de heerlijkheid Israëls.

16
קָרְחִ֣י וָ/גֹ֔זִּי עַל בְּנֵ֖י תַּעֲנוּגָ֑יִ/ךְ הַרְחִ֤בִי קָרְחָתֵ/ךְ֙ כַּ/נֶּ֔שֶׁר כִּ֥י גָל֖וּ מִמֵּֽ/ךְ
STATEN

Maak u kaal en scheer u, om uw troetelkinderen; verwijd uw kaalheid, als de arend, omdat zij gevankelijk van u zijn weggevoerd.