NEVIIM

Micha 4

מִיכָה
Hoofdstukken (7)
1234567
Getuigen
Interlineair
1
וְ/הָיָ֣ה בְּ/אַחֲרִ֣ית הַ/יָּמִ֗ים יִ֠הְיֶה הַ֣ר בֵּית יְהוָ֤ה נָכוֹן֙ בְּ/רֹ֣אשׁ הֶ/הָרִ֔ים וְ/נִשָּׂ֥א ה֖וּא מִ/גְּבָע֑וֹת וְ/נָהֲר֥וּ עָלָ֖י/ו עַמִּֽים
STATEN

Maar in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.

2
וְֽ/הָלְכ֞וּ גּוֹיִ֣ם רַבִּ֗ים וְ/אָֽמְרוּ֙ לְכ֣וּ וְ/נַעֲלֶ֣ה אֶל הַר יְהוָ֗ה וְ/אֶל בֵּית֙ אֱלֹהֵ֣י יַעֲקֹ֔ב וְ/יוֹרֵ֨/נוּ֙ מִ/דְּרָכָ֔י/ו וְ/נֵלְכָ֖ה בְּ/אֹֽרְחֹתָ֑י/ו כִּ֤י מִ/צִּיּוֹן֙ תֵּצֵ֣א תוֹרָ֔ה וּ/דְבַר יְהוָ֖ה מִ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

En vele heidenen zullen henengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, en ten huize van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.

3
וְ/שָׁפַ֗ט בֵּ֚ין עַמִּ֣ים רַבִּ֔ים וְ/הוֹכִ֛יחַ לְ/גוֹיִ֥ם עֲצֻמִ֖ים עַד רָח֑וֹק וְ/כִתְּת֨וּ חַרְבֹתֵי/הֶ֜ם לְ/אִתִּ֗ים וַ/חֲנִיתֹֽתֵי/הֶם֙ לְ/מַזְמֵר֔וֹת לֹֽא יִשְׂא֞וּ גּ֤וֹי אֶל גּוֹי֙ חֶ֔רֶב וְ/לֹא יִלְמְד֥וּ/ן ע֖וֹד מִלְחָמָֽה
STATEN

En Hij zal onder grote volken richten, en machtige heidenen straffen, tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leren.

4
וְ/יָשְׁב֗וּ אִ֣ישׁ תַּ֧חַת גַּפְנ֛/וֹ וְ/תַ֥חַת תְּאֵנָת֖/וֹ וְ/אֵ֣ין מַחֲרִ֑יד כִּי פִ֛י יְהוָ֥ה צְבָא֖וֹת דִּבֵּֽר
STATEN

Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond des HEEREN der heirscharen heeft het gesproken.

5
כִּ֚י כָּל הָ֣/עַמִּ֔ים יֵלְכ֕וּ אִ֖ישׁ בְּ/שֵׁ֣ם אֱלֹהָ֑י/ו וַ/אֲנַ֗חְנוּ נֵלֵ֛ךְ בְּ/שֵׁם יְהוָ֥ה אֱלֹהֵ֖י/נוּ לְ/עוֹלָ֥ם וָ/עֶֽד
STATEN

Want alle volken zullen wandelen, elk in den naam zijns gods; maar wij zullen wandelen in den Naam des HEEREN, onzes Gods, eeuwiglijk en altoos.

6
בַּ/יּ֨וֹם הַ/ה֜וּא נְאֻם יְהוָ֗ה אֹֽסְפָה֙ הַ/צֹּ֣לֵעָ֔ה וְ/הַ/נִּדָּחָ֖ה אֲקַבֵּ֑צָה וַ/אֲשֶׁ֖ר הֲרֵעֹֽתִי
STATEN

Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik haar, die hinkende was, verzamelen, en haar, die verdreven was, vergaderen, en die Ik geplaagd had.

7
וְ/שַׂמְתִּ֤י אֶת הַ/צֹּֽלֵעָה֙ לִ/שְׁאֵרִ֔ית וְ/הַ/נַּהֲלָאָ֖ה לְ/ג֣וֹי עָצ֑וּם וּ/מָלַ֨ךְ יְהוָ֤ה עֲלֵי/הֶם֙ בְּ/הַ֣ר צִיּ֔וֹן מֵ/עַתָּ֖ה וְ/עַד עוֹלָֽם
STATEN

En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre henen verstoten was, tot een machtig volk; en de HEERE zal Koning over hen zijn op den berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid.

8
וְ/אַתָּ֣ה מִגְדַּל עֵ֗דֶר עֹ֛פֶל בַּת צִיּ֖וֹן עָדֶ֣י/ךָ תֵּאתֶ֑ה וּ/בָאָ֗ה הַ/מֶּמְשָׁלָה֙ הָ/רִ֣אשֹׁנָ֔ה מַמְלֶ֖כֶת לְ/בַ֥ת יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

En gij Schaapstoren, gij Ofel der dochter Sions! tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk der dochteren van Jeruzalem.

9
עַתָּ֕ה לָ֥/מָּה תָרִ֖יעִי רֵ֑עַ הֲ/מֶ֣לֶךְ אֵֽין בָּ֗/ךְ אִֽם יוֹעֲצֵ/ךְ֙ אָבָ֔ד כִּֽי הֶחֱזִיקֵ֥/ךְ חִ֖יל כַּ/יּוֹלֵדָֽה
STATEN

Nu, waarom zoudt gij zo groot geschrei maken? Is er geen Koning onder u? Is uw Raadgever vergaan, dat u smart, als van een barende vrouw, heeft aangegrepen?

10
ח֧וּלִי וָ/גֹ֛חִי בַּת צִיּ֖וֹן כַּ/יּֽוֹלֵדָ֑ה כִּֽי עַתָּה֩ תֵצְאִ֨י מִ/קִּרְיָ֜ה וְ/שָׁכַ֣נְתְּ בַּ/שָּׂדֶ֗ה וּ/בָ֤את עַד בָּבֶל֙ שָׁ֣ם תִּנָּצֵ֔לִי שָׁ֚ם יִגְאָלֵ֣/ךְ יְהוָ֔ה מִ/כַּ֖ף אֹיְבָֽיִ/ךְ
STATEN

Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter Sions! als een barende vrouw; want nu zult gij wel uit de stad henen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar aldaar zult gij gered worden; aldaar zal u de HEERE verlossen uit de hand uwer vijanden.

11
וְ/עַתָּ֛ה נֶאֶסְפ֥וּ עָלַ֖יִ/ךְ גּוֹיִ֣ם רַבִּ֑ים הָ/אֹמְרִ֣ים תֶּחֱנָ֔ף וְ/תַ֥חַז בְּ/צִיּ֖וֹן עֵינֵֽי/נוּ
STATEN

Nu zijn wel vele heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen: Laat ze ontheiligd worden, en laat ons oog schouwen aan Sion.

12
וְ/הֵ֗מָּה לֹ֤א יָֽדְעוּ֙ מַחְשְׁב֣וֹת יְהוָ֔ה וְ/לֹ֥א הֵבִ֖ינוּ עֲצָת֑/וֹ כִּ֥י קִבְּצָ֖/ם כֶּ/עָמִ֥יר גֹּֽרְנָ/ה
STATEN

Maar zij weten de gedachten des HEEREN niet, en verstaan Zijn raadslag niet; dat Hij hen vergaderd heeft als garven tot den dorsvloer.

13
ק֧וּמִי וָ/ד֣וֹשִׁי בַת צִיּ֗וֹן כִּֽי קַרְנֵ֞/ךְ אָשִׂ֤ים בַּרְזֶל֙ וּ/פַרְסֹתַ֨יִ/ךְ֙ אָשִׂ֣ים נְחוּשָׁ֔ה וַ/הֲדִקּ֖וֹת עַמִּ֣ים רַבִּ֑ים וְ/הַחֲרַמְתִּ֤י לַֽ/יהוָה֙ בִּצְעָ֔/ם וְ/חֵילָ֖/ם לַ/אֲד֥וֹן כָּל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Maak u op en dors, o dochter Sions! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en gij zult vele volken verpletteren; en Ik zal hunlieder gewin den HEERE verbannen, en hun vermogen den Heere der ganse aarde.

14
עַתָּה֙ תִּתְגֹּדְדִ֣י בַת גְּד֔וּד מָצ֖וֹר שָׂ֣ם עָלֵ֑י/נוּ בַּ/שֵּׁ֨בֶט֙ יַכּ֣וּ עַֽל הַ/לְּחִ֔י אֵ֖ת שֹׁפֵ֥ט יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Nu, rot u met benden, gij dochter der bende, hij zal een belegering tegen ons stellen; zij zullen den rechter Israëls met de roede op het kinnebakken slaan.