NEVIIM

Micha 2

מִיכָה
Hoofdstukken (7)
1234567
Getuigen
Interlineair
1
ה֧וֹי חֹֽשְׁבֵי אָ֛וֶן וּ/פֹ֥עֲלֵי רָ֖ע עַל מִשְׁכְּבוֹתָ֑/ם בְּ/א֤וֹר הַ/בֹּ֨קֶר֙ יַעֲשׂ֔וּ/הָ כִּ֥י יֶשׁ לְ/אֵ֖ל יָדָֽ/ם
STATEN

Wee dien, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van den morgenstond doen zij het, dewijl het in de macht van hunlieder hand is.

2
וְ/חָמְד֤וּ שָׂדוֹת֙ וְ/גָזָ֔לוּ וּ/בָתִּ֖ים וְ/נָשָׂ֑אוּ וְ/עָֽשְׁקוּ֙ גֶּ֣בֶר וּ/בֵית֔/וֹ וְ/אִ֖ישׁ וְ/נַחֲלָתֽ/וֹ
STATEN

En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; alzo doen zij geweld aan den man en zijn huis, ja, aan een iegelijk en zijn erfenis.

3
לָ/כֵ֗ן כֹּ֚ה אָמַ֣ר יְהוָ֔ה הִנְ/נִ֥י חֹשֵׁ֛ב עַל הַ/מִּשְׁפָּחָ֥ה הַ/זֹּ֖את רָעָ֑ה אֲ֠שֶׁר לֹֽא תָמִ֨ישׁוּ מִ/שָּׁ֜ם צַוְּארֹֽתֵי/כֶ֗ם וְ/לֹ֤א תֵֽלְכוּ֙ רוֹמָ֔ה כִּ֛י עֵ֥ת רָעָ֖ה הִֽיא
STATEN

Daarom, alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit gijlieden uw halzen niet zult uittrekken, en zult zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn.

4
בַּ/יּ֨וֹם הַ/ה֜וּא יִשָּׂ֧א עֲלֵי/כֶ֣ם מָשָׁ֗ל וְ/נָהָ֨ה נְהִ֤י נִֽהְיָה֙ אָמַר֙ שָׁד֣וֹד נְשַׁדֻּ֔נוּ חֵ֥לֶק עַמִּ֖/י יָמִ֑יר אֵ֚יךְ יָמִ֣ישׁ לִ֔/י לְ/שׁוֹבֵ֥ב שָׂדֵ֖י/נוּ יְחַלֵּֽק
STATEN

Te dien dage zal men een spreekwoord over ulieden opnemen; en men zal een klagelijke klacht klagen, en zeggen: Wij zijn ten enenmale verwoest; Hij verwisselt mijns volks deel; hoe ontwendt Hij mij; Hij deelt uit, afwendende onze akkers.

5
לָ/כֵן֙ לֹֽא יִֽהְיֶ֣ה לְ/ךָ֔ מַשְׁלִ֥יךְ חֶ֖בֶל בְּ/גוֹרָ֑ל בִּ/קְהַ֖ל יְהוָֽה
STATEN

Daarom zult gij niemand hebben, die het snoer werpe in het lot, in de gemeente des HEEREN.

6
אַל תַּטִּ֖פוּ יַטִּיפ֑וּ/ן לֹֽא יַטִּ֣פוּ לָ/אֵ֔לֶּה לֹ֥א יִסַּ֖ג כְּלִמּֽוֹת
STATEN

Profeteert gijlieden niet, zeggen zij, laat die profeteren; zij profeteren niet als die; men wijkt niet af van smaadheden.

7
הֶ/אָמ֣וּר בֵּֽית יַעֲקֹ֗ב הֲ/קָצַר֙ ר֣וּחַ יְהוָ֔ה אִם אֵ֖לֶּה מַעֲלָלָ֑י/ו הֲ/ל֤וֹא דְבָרַ֨/י יֵיטִ֔יבוּ עִ֖ם הַ/יָּשָׁ֥ר הוֹלֵֽךְ
STATEN

O gij, die Jakobs huis geheten zijt! Is dan de Geest des HEEREN verkort? Zijn dat Zijn werken? Doen Mijn woorden geen goed bij dien, die recht wandelt?

8
וְ/אֶתְמ֗וּל עַמִּ/י֙ לְ/אוֹיֵ֣ב יְקוֹמֵ֔ם מִ/מּ֣וּל שַׂלְמָ֔ה אֶ֖דֶר תַּפְשִׁט֑וּ/ן מֵ/עֹבְרִ֣ים בֶּ֔טַח שׁוּבֵ֖י מִלְחָמָֽה
STATEN

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

9
נְשֵׁ֤י עַמִּ/י֙ תְּגָ֣רְשׁ֔וּ/ן מִ/בֵּ֖ית תַּֽעֲנֻגֶ֑י/הָ מֵ/עַל֙ עֹֽלָלֶ֔י/הָ תִּקְח֥וּ הֲדָרִ֖/י לְ/עוֹלָֽם
STATEN

De vrouwen Mijns volks verdrijft gij, elkeen uit het huis van haar vermakingen; van haar kinderkens neemt gij Mijn sieraad in eeuwigheid.

10
ק֣וּמוּ וּ/לְכ֔וּ כִּ֥י לֹא זֹ֖את הַ/מְּנוּחָ֑ה בַּ/עֲב֥וּר טָמְאָ֛ה תְּחַבֵּ֖ל וְ/חֶ֥בֶל נִמְרָֽץ
STATEN

Maakt u dan op, en gaat henen; want dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat met een geweldige verderving.

11
לוּ אִ֞ישׁ הֹלֵ֥ךְ ר֨וּחַ֙ וָ/שֶׁ֣קֶר כִּזֵּ֔ב אַטִּ֣ף לְ/ךָ֔ לַ/יַּ֖יִן וְ/לַ/שֵּׁכָ֑ר וְ/הָיָ֥ה מַטִּ֖יף הָ/עָ֥ם הַ/זֶּֽה
STATEN

Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet dezes volks.

12
אָסֹ֨ף אֶאֱסֹ֜ף יַעֲקֹ֣ב כֻּלָּ֗/ךְ קַבֵּ֤ץ אֲקַבֵּץ֙ שְׁאֵרִ֣ית יִשְׂרָאֵ֔ל יַ֥חַד אֲשִׂימֶ֖/נּוּ כְּ/צֹ֣אן בָּצְרָ֑ה כְּ/עֵ֨דֶר֙ בְּ/ת֣וֹךְ הַ/דָּֽבְר֔/וֹ תְּהִימֶ֖נָה מֵ/אָדָֽם
STATEN

Voorzeker zal Ik u, o Jakob! gans verzamelen; voorzeker zal Ik Israëls overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen.

13
עָלָ֤ה הַ/פֹּרֵץ֙ לִ/פְנֵי/הֶ֔ם פָּֽרְצוּ֙ וַֽ/יַּעֲבֹ֔רוּ שַׁ֖עַר וַ/יֵּ֣צְאוּ ב֑/וֹ וַ/יַּעֲבֹ֤ר מַלְכָּ/ם֙ לִ/פְנֵי/הֶ֔ם וַ/יהוָ֖ה בְּ/רֹאשָֽׁ/ם
STATEN

De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken; en hun Koning zal voor hun aangezicht henengaan; en de HEERE in hun spits.