NEVIIM

Micha 5

מִיכָה
Hoofdstukken (7)
1234567
Getuigen
Interlineair
1
וְ/אַתָּ֞ה בֵּֽית לֶ֣חֶם אֶפְרָ֗תָה צָעִיר֙ לִֽ/הְיוֹת֙ בְּ/אַלְפֵ֣י יְהוּדָ֔ה מִמְּ/ךָ֙ לִ֣/י יֵצֵ֔א לִֽ/הְי֥וֹת מוֹשֵׁ֖ל בְּ/יִשְׂרָאֵ֑ל וּ/מוֹצָאֹתָ֥י/ו מִ/קֶּ֖דֶם מִ/ימֵ֥י עוֹלָֽם
STATEN

En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.

2
לָ/כֵ֣ן יִתְּנֵ֔/ם עַד עֵ֥ת יוֹלֵדָ֖ה יָלָ֑דָה וְ/יֶ֣תֶר אֶחָ֔י/ו יְשׁוּב֖וּ/ן עַל בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Daarom zal Hij henlieden overgeven, tot den tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen Zijner broederen zich bekeren met de kinderen Israëls.

3
וְ/עָמַ֗ד וְ/רָעָה֙ בְּ/עֹ֣ז יְהוָ֔ה בִּ/גְא֕וֹן שֵׁ֖ם יְהוָ֣ה אֱלֹהָ֑י/ו וְ/יָשָׁ֕בוּ כִּֽי עַתָּ֥ה יִגְדַּ֖ל עַד אַפְסֵי אָֽרֶץ
STATEN

En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde.

4
וְ/הָיָ֥ה זֶ֖ה שָׁל֑וֹם אַשּׁ֣וּר כִּֽי יָב֣וֹא בְ/אַרְצֵ֗/נוּ וְ/כִ֤י יִדְרֹךְ֙ בְּ/אַרְמְנֹתֵ֔י/נוּ וַ/הֲקֵמֹ֤נוּ עָלָי/ו֙ שִׁבְעָ֣ה רֹעִ֔ים וּ/שְׁמֹנָ֖ה נְסִיכֵ֥י אָדָֽם
STATEN

En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen.

5
וְ/רָע֞וּ אֶת אֶ֤רֶץ אַשּׁוּר֙ בַּ/חֶ֔רֶב וְ/אֶת אֶ֥רֶץ נִמְרֹ֖ד בִּ/פְתָחֶ֑י/הָ וְ/הִצִּיל֙ מֵֽ/אַשּׁ֔וּר כִּֽי יָב֣וֹא בְ/אַרְצֵ֔/נוּ וְ/כִ֥י יִדְרֹ֖ךְ בִּ/גְבוּלֵֽ/נוּ
STATEN

Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in deszelfs ingangen. Alzo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden.

6
וְ/הָיָ֣ה שְׁאֵרִ֣ית יַעֲקֹ֗ב בְּ/קֶ֨רֶב֙ עַמִּ֣ים רַבִּ֔ים כְּ/טַל֙ מֵ/אֵ֣ת יְהוָ֔ה כִּ/רְבִיבִ֖ים עֲלֵי עֵ֑שֶׂב אֲשֶׁ֤ר לֹֽא יְקַוֶּה֙ לְ/אִ֔ישׁ וְ/לֹ֥א יְיַחֵ֖ל לִ/בְנֵ֥י אָדָֽם
STATEN

En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt.

7
וְ/הָיָה֩ שְׁאֵרִ֨ית יַעֲקֹ֜ב בַּ/גּוֹיִ֗ם בְּ/קֶ֨רֶב֙ עַמִּ֣ים רַבִּ֔ים כְּ/אַרְיֵה֙ בְּ/בַהֲמ֣וֹת יַ֔עַר כִּ/כְפִ֖יר בְּ/עֶדְרֵי צֹ֑אן אֲשֶׁ֧ר אִם עָבַ֛ר וְ/רָמַ֥ס וְ/טָרַ֖ף וְ/אֵ֥ין מַצִּֽיל
STATEN

Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde.

8
תָּרֹ֥ם יָדְ/ךָ֖ עַל צָרֶ֑י/ךָ וְ/כָל אֹיְבֶ֖י/ךָ יִכָּרֵֽתוּ
STATEN

Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.

9
וְ/הָיָ֤ה בַ/יּוֹם הַ/הוּא֙ נְאֻם יְהוָ֔ה וְ/הִכְרַתִּ֥י סוּסֶ֖י/ךָ מִ/קִּרְבֶּ֑/ךָ וְ/הַאֲבַדְתִּ֖י מַרְכְּבֹתֶֽי/ךָ
STATEN

En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagenen verdoen.

10
וְ/הִכְרַתִּ֖י עָרֵ֣י אַרְצֶ֑/ךָ וְ/הָרַסְתִּ֖י כָּל מִבְצָרֶֽי/ךָ
STATEN

En Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken.

11
וְ/הִכְרַתִּ֥י כְשָׁפִ֖ים מִ/יָּדֶ֑/ךָ וּֽ/מְעוֹנְנִ֖ים לֹ֥א יִֽהְיוּ לָֽ/ךְ
STATEN

En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen guichelaars hebben.

12
וְ/הִכְרַתִּ֧י פְסִילֶ֛י/ךָ וּ/מַצֵּבוֹתֶ֖י/ךָ מִ/קִּרְבֶּ֑/ךָ וְ/לֹֽא תִשְׁתַּחֲוֶ֥ה ע֖וֹד לְ/מַעֲשֵׂ֥ה יָדֶֽי/ךָ
STATEN

En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen.

13
וְ/נָתַשְׁתִּ֥י אֲשֵׁירֶ֖י/ךָ מִ/קִּרְבֶּ֑/ךָ וְ/הִשְׁמַדְתִּ֖י עָרֶֽי/ךָ
STATEN

Voorts zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden verdelgen.

14
וְ/עָשִׂ֜יתִי בְּ/אַ֧ף וּ/בְ/חֵמָ֛ה נָקָ֖ם אֶת הַ/גּוֹיִ֑ם אֲשֶׁ֖ר לֹ֥א שָׁמֵֽעוּ
STATEN

En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.