Hoofdstukken (7)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TAHOT i STATEN i KJV i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i JPS1917 i
שִׁמְעוּ נָ֕א אֵ֥ת אֲשֶׁר יְהוָ֖ה אֹמֵ֑ר ק֚וּם רִ֣יב אֶת הֶ/הָרִ֔ים וְ/תִשְׁמַ֥עְנָה הַ/גְּבָע֖וֹת קוֹלֶֽ/ךָ־־־׃
STATEN
Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
שִׁמְע֤וּ הָרִים֙ אֶת רִ֣יב יְהוָ֔ה וְ/הָ/אֵתָנִ֖ים מֹ֣סְדֵי אָ֑רֶץ כִּ֣י רִ֤יב לַֽ/יהוָה֙ עִם עַמּ֔/וֹ וְ/עִם יִשְׂרָאֵ֖ל יִתְוַכָּֽח־־־׃
STATEN
Hoort, gij bergen! den twist des HEEREN, mitsgaders gij sterke fondamenten der aarde! want de HEERE heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
עַמִּ֛/י מֶה עָשִׂ֥יתִי לְ/ךָ֖ וּ/מָ֣ה הֶלְאֵתִ֑י/ךָ עֲנֵ֥ה בִּֽ/י־׃
STATEN
O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
כִּ֤י הֶעֱלִתִ֨י/ךָ֙ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם וּ/מִ/בֵּ֥ית עֲבָדִ֖ים פְּדִיתִ֑י/ךָ וָ/אֶשְׁלַ֣ח לְ/פָנֶ֔י/ךָ אֶת מֹשֶׁ֖ה אַהֲרֹ֥ן וּ/מִרְיָֽם־׃
STATEN
Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, Aäron en Mirjam.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
עַמִּ֗/י זְכָר נָא֙ מַה יָּעַ֗ץ בָּלָק֙ מֶ֣לֶךְ מוֹאָ֔ב וּ/מֶה עָנָ֥ה אֹת֖/וֹ בִּלְעָ֣ם בֶּן בְּע֑וֹר מִן הַ/שִּׁטִּים֙ עַד הַ/גִּלְגָּ֔ל לְמַ֕עַן דַּ֖עַת צִדְק֥וֹת יְהוָֽה־־־־־־׃
STATEN
Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bíleam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des HEEREN kent.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
בַּ/מָּה֙ אֲקַדֵּ֣ם יְהוָ֔ה אִכַּ֖ף לֵ/אלֹהֵ֣י מָר֑וֹם הַ/אֲקַדְּמֶ֣/נּוּ בְ/עוֹל֔וֹת בַּ/עֲגָלִ֖ים בְּנֵ֥י שָׁנָֽה׃
STATEN
Waarmede zal ik den HEERE tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren?
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
הֲ/יִרְצֶ֤ה יְהוָה֙ בְּ/אַלְפֵ֣י אֵילִ֔ים בְּ/רִֽבְב֖וֹת נַֽחֲלֵי שָׁ֑מֶן הַ/אֶתֵּ֤ן בְּכוֹרִ/י֙ פִּשְׁעִ֔/י פְּרִ֥י בִטְנִ֖/י חַטַּ֥את נַפְשִֽׁ/י־׃
STATEN
Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
הִגִּ֥יד לְ/ךָ֛ אָדָ֖ם מַה טּ֑וֹב וּ/מָֽה יְהוָ֞ה דּוֹרֵ֣שׁ מִמְּ/ךָ֗ כִּ֣י אִם עֲשׂ֤וֹת מִשְׁפָּט֙ וְ/אַ֣הֲבַת חֶ֔סֶד וְ/הַצְנֵ֥עַ לֶ֖כֶת עִם אֱלֹהֶֽי/ךָ־־־־׃פ
STATEN
Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
ק֤וֹל יְהוָה֙ לָ/עִ֣יר יִקְרָ֔א וְ/תוּשִׁיָּ֖ה יִרְאֶ֣ה שְׁמֶ֑/ךָ שִׁמְע֥וּ מַטֶּ֖ה וּ/מִ֥י יְעָדָֽ/הּ׃
STATEN
De stem des HEEREN roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
ע֗וֹד הַ/אִשׁ֙ בֵּ֣ית רָשָׁ֔ע אֹצְר֖וֹת רֶ֑שַׁע וְ/אֵיפַ֥ת רָז֖וֹן זְעוּמָֽה׃
STATEN
Zijn er niet nog, in eens ieders goddelozen huis, schatten der goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is?
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
הַ/אֶזְכֶּ֖ה בְּ/מֹ֣אזְנֵי רֶ֑שַׁע וּ/בְ/כִ֖יס אַבְנֵ֥י מִרְמָֽה׃
STATEN
Zou Ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
אֲשֶׁ֤ר עֲשִׁירֶ֨י/הָ֙ מָלְא֣וּ חָמָ֔ס וְ/יֹשְׁבֶ֖י/הָ דִּבְּרוּ שָׁ֑קֶר וּ/לְשׁוֹנָ֖/ם רְמִיָּ֥ה בְּ/פִי/הֶֽם־׃
STATEN
Dewijl haar rijke lieden vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en haar tong bedriegelijk is in haar mond;
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 5 ← → navigeer Hoofdstuk 7 →