NEVIIM

Amos 2

עָמוֹס
Hoofdstukken (9)
123456789
Getuigen
Interlineair
1
כֹּ֚ה אָמַ֣ר יְהוָ֔ה עַל שְׁלֹשָׁה֙ פִּשְׁעֵ֣י מוֹאָ֔ב וְ/עַל אַרְבָּעָ֖ה לֹ֣א אֲשִׁיבֶ֑/נּוּ עַל שָׂרְפ֛/וֹ עַצְמ֥וֹת מֶֽלֶךְ אֱד֖וֹם לַ/שִּֽׂיד
STATEN

Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Moab, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij de beenderen des konings van Edom tot kalk verbrand heeft.

2
וְ/שִׁלַּחְתִּי אֵ֣שׁ בְּ/מוֹאָ֔ב וְ/אָכְלָ֖ה אַרְמְנ֣וֹת הַ/קְּרִיּ֑וֹת וּ/מֵ֤ת בְּ/שָׁאוֹן֙ מוֹאָ֔ב בִּ/תְרוּעָ֖ה בְּ/ק֥וֹל שׁוֹפָֽר
STATEN

Daarom zal Ik een vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van Keriôth verteren; en Moab zal sterven met groot gedruis, met gejuich, met geluid der bazuin.

3
וְ/הִכְרַתִּ֥י שׁוֹפֵ֖ט מִ/קִּרְבָּ֑/הּ וְ/כָל שָׂרֶ֛י/הָ אֶהֱר֥וֹג עִמּ֖/וֹ אָמַ֥ר יְהוָֽה
STATEN

En Ik zal den rechter uit het midden van haar uitroeien; en al haar vorsten zal Ik met hem doden, zegt de HEERE.

4
כֹּ֚ה אָמַ֣ר יְהוָ֔ה עַל שְׁלֹשָׁה֙ פִּשְׁעֵ֣י יְהוּדָ֔ה וְ/עַל אַרְבָּעָ֖ה לֹ֣א אֲשִׁיבֶ֑/נּוּ עַֽל מָאֳסָ֞/ם אֶת תּוֹרַ֣ת יְהוָ֗ה וְ/חֻקָּי/ו֙ לֹ֣א שָׁמָ֔רוּ וַ/יַּתְעוּ/ם֙ כִּזְבֵי/הֶ֔ם אֲשֶׁר הָלְכ֥וּ אֲבוֹתָ֖/ם אַחֲרֵי/הֶֽם
STATEN

Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Juda, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de wet des HEEREN verworpen, en Zijn inzettingen niet bewaard hebben; en hun leugenen hen verleid hebben, die hun vaders hebben nagewandeld.

5
וְ/שִׁלַּ֥חְתִּי אֵ֖שׁ בִּֽ/יהוּדָ֑ה וְ/אָכְלָ֖ה אַרְמְנ֥וֹת יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

Daarom zal Ik een vuur in Juda zenden, dat zal Jeruzalems paleizen verteren.

6
כֹּ֚ה אָמַ֣ר יְהוָ֔ה עַל שְׁלֹשָׁה֙ פִּשְׁעֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/עַל אַרְבָּעָ֖ה לֹ֣א אֲשִׁיבֶ֑/נּוּ עַל מִכְרָ֤/ם בַּ/כֶּ֨סֶף֙ צַדִּ֔יק וְ/אֶבְי֖וֹן בַּ/עֲב֥וּר נַעֲלָֽיִם
STATEN

Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Israël, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij den rechtvaardige voor geld verkopen, en den nooddruftige om een paar schoenen.

7
הַ/שֹּׁאֲפִ֤ים עַל עֲפַר אֶ֨רֶץ֙ בְּ/רֹ֣אשׁ דַּלִּ֔ים וְ/דֶ֥רֶךְ עֲנָוִ֖ים יַטּ֑וּ וְ/אִ֣ישׁ וְ/אָבִ֗י/ו יֵֽלְכוּ֙ אֶל הַֽ/נַּעֲרָ֔ה לְמַ֥עַן חַלֵּ֖ל אֶת שֵׁ֥ם קָדְשִֽׁ/י
STATEN

Die er naar hijgen, dat het stof der aarde op het hoofd der armen zij, en den weg der zachtmoedigen verkeren; en de man en zijn vader gaan tot een jonge dochter om Mijn heiligen Naam te ontheiligen.

8
וְ/עַל בְּגָדִ֤ים חֲבֻלִים֙ יַטּ֔וּ אֵ֖צֶל כָּל מִזְבֵּ֑חַ וְ/יֵ֤ין עֲנוּשִׁים֙ יִשְׁתּ֔וּ בֵּ֖ית אֱלֹהֵי/הֶֽם
STATEN

En zij leggen zich neder bij elk altaar op de verpande klederen, en drinken den wijn der geboeten in het huis van hun goden.

9
וְ/אָ֨נֹכִ֜י הִשְׁמַ֤דְתִּי אֶת הָֽ/אֱמֹרִי֙ מִ/פְּנֵי/הֶ֔ם אֲשֶׁ֨ר כְּ/גֹ֤בַהּ אֲרָזִים֙ גָּבְה֔/וֹ וְ/חָסֹ֥ן ה֖וּא כָּֽ/אַלּוֹנִ֑ים וָ/אַשְׁמִ֤יד פִּרְי/וֹ֙ מִ/מַּ֔עַל וְ/שָׁרָשָׁ֖י/ו מִ/תָּֽחַת
STATEN

Ik daarentegen heb den Amoriet voor hunlieder aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte der cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijn vrucht van boven, en zijn wortelen van onderen verdelgd.

10
וְ/אָנֹכִ֛י הֶעֱלֵ֥יתִי אֶתְ/כֶ֖ם מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם וָ/אוֹלֵ֨ךְ אֶתְ/כֶ֤ם בַּ/מִּדְבָּר֙ אַרְבָּעִ֣ים שָׁנָ֔ה לָ/רֶ֖שֶׁת אֶת אֶ֥רֶץ הָ/אֱמֹרִֽי
STATEN

Ook heb Ik ulieden uit Egypteland opgevoerd; en Ik heb u veertig jaren in de woestijn geleid, opdat gij het land van den Amoriet erfelijk bezat.

11
וָ/אָקִ֤ים מִ/בְּנֵי/כֶם֙ לִ/נְבִיאִ֔ים וּ/מִ/בַּחוּרֵי/כֶ֖ם לִ/נְזִרִ֑ים הַ/אַ֥ף אֵֽין זֹ֛את בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל נְאֻם יְהוָֽה
STATEN

En Ik heb sommigen uit uw zonen tot profeten verwekt, en uit uw jongelingen tot nazireeën; is dit niet alzo, gij kinderen Israëls? spreekt de HEERE.

12
וַ/תַּשְׁק֥וּ אֶת הַ/נְּזִרִ֖ים יָ֑יִן וְ/עַל הַ/נְּבִיאִים֙ צִוִּיתֶ֣ם לֵ/אמֹ֔ר לֹ֖א תִּנָּבְאֽוּ
STATEN

Maar gijlieden hebt aan de nazireeën wijn te drinken gegeven, en gij hebt den profeten geboden, zeggende: Gij zult niet profeteren.

13
הִנֵּ֛ה אָנֹכִ֥י מֵעִ֖יק תַּחְתֵּי/כֶ֑ם כַּ/אֲשֶׁ֤ר תָּעִיק֙ הָ/עֲגָלָ֔ה הַֽ/מְלֵאָ֥ה לָ֖/הּ עָמִֽיר
STATEN

Ziet, Ik zal uw plaatsen drukken, gelijk als een wagen drukt, die vol garven is.

14
וְ/אָבַ֤ד מָנוֹס֙ מִ/קָּ֔ל וְ/חָזָ֖ק לֹא יְאַמֵּ֣ץ כֹּח֑/וֹ וְ/גִבּ֖וֹר לֹא יְמַלֵּ֥ט נַפְשֽׁ/וֹ
STATEN

Zodat de snelle niet zal ontvlieden, en de sterke zijn kracht niet verkloeken, en een held zal zijn ziel niet bevrijden.

15
וְ/תֹפֵ֤שׂ הַ/קֶּ֨שֶׁת֙ לֹ֣א יַעֲמֹ֔ד וְ/קַ֥ל בְּ/רַגְלָ֖י/ו לֹ֣א יְמַלֵּ֑ט וְ/רֹכֵ֣ב הַ/סּ֔וּס לֹ֥א יְמַלֵּ֖ט נַפְשֽׁ/וֹ
STATEN

En die den boog handelt, zal niet bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden.

16
וְ/אַמִּ֥יץ לִבּ֖/וֹ בַּ/גִּבּוֹרִ֑ים עָר֛וֹם יָנ֥וּס בַּ/יּוֹם הַ/ה֖וּא נְאֻם יְהוָֽה
STATEN

En de kloekhartigste onder de helden zal te dien dage naakt heenvlieden, spreekt de HEERE.