BRIEVEN

1 Korinthe 15

Πρὸς Κορινθίους Αʹ
Hoofdstukken (16)
12345678910111213141516
Getuigen
Interlineair
1
γνωριζωδευμιναδελφοιτοευαγγελιονοευηγγελισαμηνυμινοκαιπαρελαβετεενωκαιεστηκατε
STATEN

Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat;

2
διουκαισωζεσθετινιλογωευηγγελισαμηνυμινεικατεχετεεκτοςειμηεικηεπιστευσατε
STATEN

Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.

3
παρεδωκαγαρυμινενπρωτοιςοκαιπαρελαβονοτιχριστοςαπεθανενυπερτωναμαρτιωνημωνκαταταςγραφας
STATEN

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;

4
καιοτιεταφηκαιοτιεγηγερταιτητριτηημερακαταταςγραφας
STATEN

En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;

5
καιοτιωφθηκηφαειτατοιςδωδεκα
STATEN

En dat Hij is van Céfas gezien, daarna van de twaalven.

6
επειταωφθηεπανωπεντακοσιοιςαδελφοιςεφαπαξεξωνοιπλειουςμενουσινεωςαρτιτινεςδεκαιεκοιμηθησαν
STATEN

Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welken het merendeel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen.

7
επειταωφθηιακωβωειτατοιςαποστολοιςπασιν
STATEN

Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen.

8
εσχατονδεπαντωνωσπερειτωεκτρωματιωφθηκαμοι
STATEN

En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.

9
εγωγαρειμιοελαχιστοςτωναποστολωνοςουκειμιικανοςκαλεισθαιαποστολοςδιοτιεδιωξατηνεκκλησιαντουθεου
STATEN

Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb.

10
χαριτιδεθεουειμιοειμικαιηχαριςαυτουηειςεμεουκενηεγενηθηαλλαπερισσοτεροναυτωνπαντωνεκοπιασαουκεγωδεαλληχαριςτουθεουησυνεμοι
STATEN

Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.

11
ειτεουνεγωειτεεκεινοιουτωςκηρυσσομενκαιουτωςεπιστευσατε
STATEN

Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzo prediken wij, en alzo hebt gij geloofd.

12
ειδεχριστοςκηρυσσεταιοτιεκνεκρωνεγηγερταιπωςλεγουσιντινεςενυμινοτιαναστασιςνεκρωνουκεστιν
STATEN

Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is?

13
ειδεαναστασιςνεκρωνουκεστινουδεχριστοςεγηγερται
STATEN

En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt.

14
ειδεχριστοςουκεγηγερταικενοναρατοκηρυγμαημωνκενηδεκαιηπιστιςυμων
STATEN

En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.

15
ευρισκομεθαδεκαιqευδομαρτυρεςτουθεουοτιεμαρτυρησαμενκατατουθεουοτιηγειρεντονχριστονονουκηγειρενειπεραρανεκροιουκεγειρονται
STATEN

En zo worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden.

16
ειγαρνεκροιουκεγειρονταιουδεχριστοςεγηγερται
STATEN

Want indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt.

17
ειδεχριστοςουκεγηγερταιματαιαηπιστιςυμωνετιεστεενταιςαμαρτιαιςυμων
STATEN

En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden.

18
αρακαιοικοιμηθεντεςενχριστωαπωλοντο
STATEN

Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.

19
ειεντηζωηταυτηηλπικοτεςεσμενενχριστωμονονελεεινοτεροιπαντωνανθρωπωνεσμεν
STATEN

Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.

20
νυνιδεχριστοςεγηγερταιεκνεκρωναπαρχητωνκεκοιμημενωνεγενετο
STATEN

Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.

21
επειδηγαρδιανθρωπουοθανατοςκαιδιανθρωπουαναστασιςνεκρων
STATEN

Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens.

22
ωσπεργαρεντωαδαμπαντεςαποθνησκουσινουτωςκαιεντωχριστωπαντεςζωοποιηθησονται
STATEN

Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.

23
εκαστοςδεεντωιδιωταγματιαπαρχηχριστοςεπειταοιχριστουεντηπαρουσιααυτου
STATEN

Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.

24
ειτατοτελοςοτανπαραδωτηνβασιλειαντωθεωκαιπατριοτανκαταργησηπασαναρχηνκαιπασανεξουσιανκαιδυναμιν
STATEN

Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.

25
δειγαραυτονβασιλευειναχριςουανθηπανταςτουςεχθρουςυποτουςποδαςαυτου
STATEN

Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.

26
εσχατοςεχθροςκαταργειταιοθανατος
STATEN

De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.

27
πανταγαρυπεταξενυποτουςποδαςαυτουοτανδεειπηοτιπανταυποτετακταιδηλονοτιεκτοςτουυποταξαντοςαυτωταπαντα
STATEN

Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft.

28
οτανδευποταγηαυτωταπαντατοτεκαιαυτοςουιοςυποταγησεταιτωυποταξαντιαυτωταπανταιναηοθεοςταπανταενπασιν
STATEN

En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

29
επειτιποιησουσινοιβαπτιζομενοιυπερτωννεκρωνειολωςνεκροιουκεγειρονταιτικαιβαπτιζονταιυπερτωννεκρων
STATEN

Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden ganselijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt?

30
τικαιημειςκινδυνευομενπασανωραν
STATEN

Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar?

31
καθημεραναποθνησκωνητηνυμετερανκαυχησινηνεχωενχριστωιησουτωκυριωημων
STATEN

Ik sterf alle dagen, hetwelk ik betuig bij onzen roem, dien ik heb in Christus Jezus, onzen Heere.

32
εικαταανθρωπονεθηριομαχησαενεφεσωτιμοιτοοφελοςεινεκροιουκεγειρονταιφαγωμενκαιπιωμεναυριονγαραποθνησκομεν
STATEN

Zo ik, naar den mens, tegen de beesten gevochten heb te Éfeze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.

33
μηπλανασθεφθειρουσινηθηχρησθομιλιαικακαι
STATEN

Dwaalt niet. Kwade samensprekingen verderven goede zeden.

34
εκνηqατεδικαιωςκαιμηαμαρτανετεαγνωσιανγαρθεουτινεςεχουσινπροςεντροπηνυμινλεγω
STATEN

Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.

35
αλλερειτιςπωςεγειρονταιοινεκροιποιωδεσωματιερχονται
STATEN

Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?

36
αφρονσυοσπειρειςουζωοποιειταιεανμηαποθανη
STATEN

Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is;

37
καιοσπειρειςουτοσωματογενησομενονσπειρειςαλλαγυμνονκοκκονειτυχοισιτουητινοςτωνλοιπων
STATEN

En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig der andere granen.

38
οδεθεοςαυτωδιδωσινσωμακαθωςηθελησενκαιεκαστωτωνσπερματωντοιδιονσωμα
STATEN

Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam.

39
ουπασασαρξηαυτησαρξαλλααλλημενσαρξανθρωπωναλληδεσαρξκτηνωναλληδειχθυωναλληδεπτηνων
STATEN

Alle vlees is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees der mensen, en een ander is het vlees der beesten, en een ander der vissen, en een ander der vogelen.

40
καισωματαεπουρανιακαισωματαεπιγειααλλετεραμενητωνεπουρανιωνδοξαετεραδεητωνεπιγειων
STATEN

En er zijn hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse.

41
αλληδοξαηλιουκαιαλληδοξασεληνηςκαιαλληδοξααστερωναστηργαραστεροςδιαφερειενδοξη
STATEN

Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.

42
ουτωςκαιηαναστασιςτωννεκρωνσπειρεταιενφθοραεγειρεταιεναφθαρσια
STATEN

Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;

43
σπειρεταιενατιμιαεγειρεταιενδοξησπειρεταιενασθενειαεγειρεταιενδυναμει
STATEN

Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.

44
σπειρεταισωμαqυχικονεγειρεταισωμαπνευματικονεστινσωμαqυχικονκαιεστινσωμαπνευματικον
STATEN

Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.

45
ουτωςκαιγεγραπταιεγενετοοπρωτοςανθρωποςαδαμειςqυχηνζωσανοεσχατοςαδαμειςπνευμαζωοποιουν
STATEN

Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.

46
αλλουπρωτοντοπνευματικοναλλατοqυχικονεπειτατοπνευματικον
STATEN

Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.

47
οπρωτοςανθρωποςεκγηςχοικοςοδευτεροςανθρωποςοκυριοςεξουρανου
STATEN

De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den Hemel.

48
οιοςοχοικοςτοιουτοικαιοιχοικοικαιοιοςοεπουρανιοςτοιουτοικαιοιεπουρανιοι
STATEN

Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de Hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen.

49
καικαθωςεφορεσαμεντηνεικονατουχοικουφορεσομενκαιτηνεικονατουεπουρανιου
STATEN

En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des Hemelsen dragen.

50
τουτοδεφημιαδελφοιοτισαρξκαιαιμαβασιλειανθεουκληρονομησαιουδυνανταιουδεηφθορατηναφθαρσιανκληρονομει
STATEN

Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.

51
ιδουμυστηριονυμινλεγωπαντεςμενουκοιμηθησομεθαπαντεςδεαλλαγησομεθα
STATEN

Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;

52
ενατομωενριπηοφθαλμουεντηεσχατησαλπιγγισαλπισειγαρκαιοινεκροιεγερθησονταιαφθαρτοικαιημειςαλλαγησομεθα
STATEN

In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.

53
δειγαρτοφθαρτοντουτοενδυσασθαιαφθαρσιανκαιτοθνητοντουτοενδυσασθαιαθανασιαν
STATEN

Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.

54
οτανδετοφθαρτοντουτοενδυσηταιαφθαρσιανκαιτοθνητοντουτοενδυσηταιαθανασιαντοτεγενησεταιολογοςογεγραμμενοςκατεποθηοθανατοςειςνικος
STATEN

En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.

55
πουσουθανατετοκεντρονπουσουαδητονικος
STATEN

Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?

56
τοδεκεντροντουθανατουηαμαρτιαηδεδυναμιςτηςαμαρτιαςονομος
STATEN

De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet.

57
τωδεθεωχαριςτωδιδοντιημιντονικοςδιατουκυριουημωνιησουχριστου
STATEN

Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.

58
ωστεαδελφοιμουαγαπητοιεδραιοιγινεσθεαμετακινητοιπερισσευοντεςεντωεργωτουκυριουπαντοτεειδοτεςοτιοκοποςυμωνουκεστινκενοςενκυριω
STATEN

Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.