BRIEVEN

1 Korinthe 10

Πρὸς Κορινθίους Αʹ
Hoofdstukken (16)
12345678910111213141516
Getuigen
Interlineair
1
ουθελωδευμαςαγνοειναδελφοιοτιοιπατερεςημωνπαντεςυποτηννεφεληνησανκαιπαντεςδιατηςθαλασσηςδιηλθον
STATEN

En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;

2
καιπαντεςειςτονμωσηνεβαπτισαντοεντηνεφεληκαιεντηθαλασση
STATEN

En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;

3
καιπαντεςτοαυτοβρωμαπνευματικονεφαγον
STATEN

En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;

4
καιπαντεςτοαυτοπομαπνευματικονεπιονεπινονγαρεκπνευματικηςακολουθουσηςπετραςηδεπετραηνοχριστος
STATEN

En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.

5
αλλουκεντοιςπλειοσιναυτωνευδοκησενοθεοςκατεστρωθησανγαρεντηερημω
STATEN

Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.

6
ταυταδετυποιημωνεγενηθησανειςτομηειναιημαςεπιθυμηταςκακωνκαθωςκακεινοιεπεθυμησαν
STATEN

En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.

7
μηδεειδωλολατραιγινεσθεκαθωςτινεςαυτωνωςγεγραπταιεκαθισενολαοςφαγεινκαιπιεινκαιανεστησανπαιζειν
STATEN

En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.

8
μηδεπορνευωμενκαθωςτινεςαυτωνεπορνευσανκαιεπεσονενμιαημεραεικοσιτρειςχιλιαδες
STATEN

En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op één dag drie en twintig duizend.

9
μηδεεκπειραζωμεντονχριστονκαθωςκαιτινεςαυτωνεπειρασανκαιυποτωνοφεωναπωλοντο
STATEN

En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.

10
μηδεγογγυζετεκαθωςκαιτινεςαυτωνεγογγυσανκαιαπωλοντουποτουολοθρευτου
STATEN

En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.

11
ταυταδεπαντατυποισυνεβαινονεκεινοιςεγραφηδεπροςνουθεσιανημωνειςουςτατελητωναιωνωνκατηντησεν
STATEN

En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.

12
ωστεοδοκωνεσταναιβλεπετωμηπεση
STATEN

Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

13
πειρασμοςυμαςουκειληφενειμηανθρωπινοςπιστοςδεοθεοςοςουκεασειυμαςπειρασθηναιυπεροδυνασθεαλλαποιησεισυντωπειρασμωκαιτηνεκβασιντουδυνασθαιυμαςυπενεγκειν
STATEN

Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.

14
διοπεραγαπητοιμουφευγετεαποτηςειδωλολατρειας
STATEN

Daarom, mijn geliefden, vliedt van den afgodendienst.

15
ωςφρονιμοιςλεγωκρινατευμειςοφημι
STATEN

Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg.

16
τοποτηριοντηςευλογιαςοευλογουμενουχικοινωνιατουαιματοςτουχριστουεστιντοναρτονονκλωμενουχικοινωνιατουσωματοςτουχριστουεστιν
STATEN

De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?

17
οτιειςαρτοςενσωμαοιπολλοιεσμενοιγαρπαντεςεκτουενοςαρτουμετεχομεν
STATEN

Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn.

18
βλεπετετονισραηλκατασαρκαουχιοιεσθιοντεςταςθυσιαςκοινωνοιτουθυσιαστηριουεισιν
STATEN

Ziet Israël, dat naar het vlees is; hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar?

19
τιουνφημιοτιειδωλοντιεστινηοτιειδωλοθυτοντιεστιν
STATEN

Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?

20
αλλοτιαθυειταεθνηδαιμονιοιςθυεικαιουθεωουθελωδευμαςκοινωνουςτωνδαιμονιωνγινεσθαι
STATEN

Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.

21
ουδυνασθεποτηριονκυριουπινεινκαιποτηριονδαιμονιωνουδυνασθετραπεζηςκυριουμετεχεινκαιτραπεζηςδαιμονιων
STATEN

Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.

22
ηπαραζηλουμεντονκυριονμηισχυροτεροιαυτουεσμεν
STATEN

Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij?

23
πανταμοιεξεστιναλλουπαντασυμφερειπανταμοιεξεστιναλλουπανταοικοδομει
STATEN

Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.

24
μηδειςτοεαυτουζητειτωαλλατοτουετερουεκαστος
STATEN

Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.

25
παντοενμακελλωπωλουμενονεσθιετεμηδενανακρινοντεςδιατηνσυνειδησιν
STATEN

Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil;

26
τουγαρκυριουηγηκαιτοπληρωμααυτης
STATEN

Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.

27
ειδετιςκαλειυμαςτωναπιστωνκαιθελετεπορευεσθαιπαντοπαρατιθεμενονυμινεσθιετεμηδενανακρινοντεςδιατηνσυνειδησιν
STATEN

En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil.

28
εανδετιςυμινειπητουτοειδωλοθυτονεστινμηεσθιετεδιεκεινοντονμηνυσαντακαιτηνσυνειδησιντουγαρκυριουηγηκαιτοπληρωμααυτης
STATEN

Maar zo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om des gewetens wil. Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.

29
συνειδησινδελεγωουχιτηνεαυτουαλλατηντουετερουινατιγαρηελευθεριαμουκρινεταιυποαλληςσυνειδησεως
STATEN

Doch ik zeg: om het geweten, niet van uzelven, maar des anderen; want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten?

30
ειδεεγωχαριτιμετεχωτιβλασφημουμαιυπερουεγωευχαριστω
STATEN

En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen, waarvoor ik dankzeg?

31
ειτεουνεσθιετεειτεπινετεειτετιποιειτεπανταειςδοξανθεουποιειτε
STATEN

Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.

32
απροσκοποιγινεσθεκαιιουδαιοιςκαιελλησινκαιτηεκκλησιατουθεου
STATEN

Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.

33
καθωςκαγωπανταπασιναρεσκωμηζητωντοεμαυτουσυμφεροναλλατοτωνπολλωνινασωθωσιν
STATEN

Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden.