BRIEVEN

1 Korinthe 5

Πρὸς Κορινθίους Αʹ
Hoofdstukken (16)
12345678910111213141516
Getuigen
Interlineair
1
ολωςακουεταιενυμινπορνειακαιτοιαυτηπορνειαητιςουδεεντοιςεθνεσινονομαζεταιωστεγυναικατινατουπατροςεχειν
STATEN

Men hoort ganselijk, dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd wordt, alzo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft.

2
καιυμειςπεφυσιωμενοιεστεκαιουχιμαλλονεπενθησατειναεξαρθηεκμεσουυμωνοτοεργοντουτοποιησας
STATEN

En zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?

3
εγωμενγαρωςαπωντωσωματιπαρωνδετωπνευματιηδηκεκρικαωςπαρωντονουτωςτουτοκατεργασαμενον
STATEN

Doch ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb alrede, alsof ik tegenwoordig ware, dengene, die dat alzo bedreven heeft, besloten,

4
εντωονοματιτουκυριουημωνιησουχριστουσυναχθεντωνυμωνκαιτουεμουπνευματοςσυντηδυναμειτουκυριουημωνιησουχριστου
STATEN

In den Naam van onzen Heere Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest samen vergaderd zullen zijn, met de kracht van onzen Heere Jezus Christus,

5
παραδουναιτοντοιουτοντωσαταναειςολεθροντηςσαρκοςινατοπνευμασωθηεντηημερατουκυριουιησου
STATEN

Denzulken over te geven aan den satan, tot verderf des vleses, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus.

6
ουκαλοντοκαυχημαυμωνουκοιδατεοτιμικραζυμηολοντοφυραμαζυμοι
STATEN

Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?

7
εκκαθαρατεουντηνπαλαιανζυμηνιναητενεονφυραμακαθωςεστεαζυμοικαιγαρτοπασχαημωνυπερημωνεθυθηχριστος
STATEN

Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.

8
ωστεεορταζωμενμηενζυμηπαλαιαμηδεενζυμηκακιαςκαιπονηριαςαλλεναζυμοιςειλικρινειαςκαιαληθειας
STATEN

Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.

9
εγραqαυμινεντηεπιστολημησυναναμιγνυσθαιπορνοις
STATEN

Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders;

10
καιουπαντωςτοιςπορνοιςτουκοσμουτουτουητοιςπλεονεκταιςηαρπαξινηειδωλολατραιςεπειοφειλετεαραεκτουκοσμουεξελθειν
STATEN

Doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.

11
νυνιδεεγραqαυμινμησυναναμιγνυσθαιεαντιςαδελφοςονομαζομενοςηπορνοςηπλεονεκτηςηειδωλολατρηςηλοιδοροςημεθυσοςηαρπαξτωτοιουτωμηδεσυνεσθιειν
STATEN

Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat gij met zodanig een ook niet zult eten.

12
τιγαρμοικαιτουςεξωκρινεινουχιτουςεσωυμειςκρινετε
STATEN

Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn?

13
τουςδεεξωοθεοςκρινεικαιεξαρειτετονπονηρονεξυμωναυτων
STATEN

Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij dezen boze uit ulieden weg.