Ga naar inhoud
KETUVIM

Ezra 4

עֶזְרָא
Hoofdstukken (10)← → toetsen
12345678910
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַֽ/יִּשְׁמְע֔וּ צָרֵ֥י יְהוּדָ֖ה וּ/בִנְיָמִ֑ן כִּֽי בְנֵ֤י הַ/גּוֹלָה֙ בּוֹנִ֣ים הֵיכָ֔ל לַ/יהוָ֖ה אֱלֹהֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN

Toen nu de wederpartijders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen der gevangenis den HEERE, den God Israëls, den tempel bouwden;

2
וַ/יִּגְּשׁ֨וּ אֶל זְרֻבָּבֶ֜ל וְ/אֶל רָאשֵׁ֣י הָֽ/אָב֗וֹת וַ/יֹּאמְר֤וּ לָ/הֶם֙ נִבְנֶ֣ה עִמָּ/כֶ֔ם כִּ֣י כָ/כֶ֔ם נִדְר֖וֹשׁ לֵֽ/אלֹהֵי/כֶ֑ם ו/לא אֲנַ֣חְנוּ זֹבְחִ֗ים מִ/ימֵי֙ אֵסַ֤ר חַדֹּן֙ מֶ֣לֶךְ אַשּׁ֔וּר הַ/מַּעֲלֶ֥ה אֹתָ֖/נוּ פֹּֽה־־׀׃ וְ/ל֣/וֹ
STATEN

Zo kwamen zij aan tot Zerubbábel, en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gijlieden; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-Haddon, den koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken.

3
וַ/יֹּאמֶר֩ לָ/הֶ֨ם זְרֻבָּבֶ֜ל וְ/יֵשׁ֗וּעַ וּ/שְׁאָ֨ר רָאשֵׁ֤י הָֽ/אָבוֹת֙ לְ/יִשְׂרָאֵ֔ל לֹֽא לָ֣/כֶם וָ/לָ֔/נוּ לִ/בְנ֥וֹת בַּ֖יִת לֵ/אלֹהֵ֑י/נוּ כִּי֩ אֲנַ֨חְנוּ יַ֜חַד נִבְנֶ֗ה לַֽ/יהוָה֙ אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל כַּ/אֲשֶׁ֣ר צִוָּ֔/נוּ הַ/מֶּ֖לֶךְ כּ֥וֹרֶשׁ מֶֽלֶךְ פָּרָֽס־־׃
STATEN

Maar Zerubbábel, en Jésua, en de overige hoofden der vaderen van Israël zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gijlieden en wij onzen God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het den HEERE, den God Israëls, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft.

4
וַ/יְהִי֙ עַם הָ/אָ֔רֶץ מְרַפִּ֖ים יְדֵ֣י עַם יְהוּדָ֑ה ו/מבלהים אוֹתָ֖/ם לִ/בְנֽוֹת־־׃ וּֽ/מְבַהֲלִ֥ים
STATEN

Evenwel maakte het volk des lands de handen des volks van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen;

5
וְ/סֹכְרִ֧ים עֲלֵי/הֶ֛ם יוֹעֲצִ֖ים לְ/הָפֵ֣ר עֲצָתָ֑/ם כָּל יְמֵ֗י כּ֚וֹרֶשׁ מֶ֣לֶךְ פָּרַ֔ס וְ/עַד מַלְכ֖וּת דָּרְיָ֥וֶשׁ מֶֽלֶךְ פָּרָֽס־־־׃
STATEN

En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van Daríus, den koning van Perzië.

6
וּ/בְ/מַלְכוּת֙ אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ בִּ/תְחִלַּ֖ת מַלְכוּת֑/וֹ כָּתְב֣וּ שִׂטְנָ֔ה עַל יֹשְׁבֵ֥י יְהוּדָ֖ה וִ/ירוּשָׁלִָֽם־׃ס
STATEN

En onder het koninkrijk van Ahasvéros, in het begin zijns koninkrijks, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.

7
וּ/בִ/ימֵ֣י אַרְתַּחְשַׁ֗שְׂתָּא כָּתַ֨ב בִּשְׁלָ֜ם מִתְרְדָ֤ת טָֽבְאֵל֙ וּ/שְׁאָ֣ר כנות/ו עַל ארתחששתא מֶ֣לֶךְ פָּרָ֑ס וּ/כְתָב֙ הַֽ/נִּשְׁתְּוָ֔ן כָּת֥וּב אֲרָמִ֖ית וּ/מְתֻרְגָּ֥ם אֲרָמִֽית כְּנָוֺתָ֔י/ו אַרְתַּחְשַׁ֖שְׂתְּ־׃פ
STATEN

En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tábeël, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzië; en de schrift des briefs was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd.

8
רְח֣וּם בְּעֵל טְעֵ֗ם וְ/שִׁמְשַׁי֙ סָֽפְרָ֔/א כְּתַ֛בוּ אִגְּרָ֥ה חֲדָ֖ה עַל יְרוּשְׁלֶ֑ם לְ/אַרְתַּחְשַׁ֥שְׂתְּא מַלְכָּ֖/א כְּנֵֽמָא־־׃
STATEN

Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan den koning Arthahsasta, op deze manier:

9
אֱדַ֜יִן רְח֣וּם בְּעֵל טְעֵ֗ם וְ/שִׁמְשַׁי֙ סָֽפְרָ֔/א וּ/שְׁאָ֖ר כְּנָוָתְ/ה֑וֹן דִּ֠ינָיֵ/א וַ/אֲפַרְסַתְכָיֵ֞/א טַרְפְּלָיֵ֣/א אֲפָֽרְסָיֵ֗/א ארכוי בָבְלָיֵ/א֙ שֽׁוּשַׁנְכָיֵ֔/א ד/הוא עֵלְמָיֵֽ/א־׃ אַרְכְּוָיֵ֤/א דֶּהָיֵ֖/א
STATEN

Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaïeten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniërs, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten,

10
וּ/שְׁאָ֣ר אֻמַּיָּ֗/א דִּ֤י הַגְלִי֙ אָסְנַפַּר֙ רַבָּ֣/א וְ/יַקִּירָ֔/א וְ/הוֹתֵ֣ב הִמּ֔וֹ בְּ/קִרְיָ֖ה דִּ֣י שָׁמְרָ֑יִן וּ/שְׁאָ֥ר עֲבַֽר נַהֲרָ֖/ה וּ/כְעֶֽנֶת־׃
STATEN

En de overige volkeren, die de grote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.

11
דְּנָה֙ פַּרְשֶׁ֣גֶן אִגַּרְתָּ֔/א דִּ֚י שְׁלַ֣חוּ עֲל֔וֹ/הִי עַל אַרְתַּחְשַׁ֖שְׂתְּא מַלְכָּ֑/א עַבְדָ֛י/ךְ אֱנָ֥שׁ עֲבַֽר נַהֲרָ֖/ה וּ/כְעֶֽנֶת־־׃פ
STATEN

Dit is een afschrift des briefs, dien zij aan hem, aan den koning Arthahsasta, zonden: Uw knechten, de mannen aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.

12
יְדִ֨יעַ֙ לֶהֱוֵ֣א לְ/מַלְכָּ֔/א דִּ֣י יְהוּדָיֵ֗/א דִּ֤י סְלִ֨קוּ֙ מִן לְוָתָ֔/ךְ עֲלֶ֥י/נָא אֲת֖וֹ לִ/ירוּשְׁלֶ֑ם קִרְיְתָ֨/א מָֽרָדְתָּ֤/א ו/באישת/א בָּנַ֔יִן ו/שורי אשכללו וְ/אֻשַּׁיָּ֖/א יַחִֽיטוּ־׃ וּ/בִֽישְׁתָּ/א֙ וְ/שׁוּרַיָּ֣/א שַׁכְלִ֔ילוּ
STATEN

Den koning zij bekend, dat de Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bouwende die rebelle en die boze stad, waarvan zij de muren voltrekken, en de fondamenten samenvoegen.

Op De Naamdragers

Blogs over Ezra 4

Nog geen artikelen die specifiek naar Ezra 4 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →