Ga naar inhoud
KETUVIM

Ezra 5

עֶזְרָא
Hoofdstukken (10)← → toetsen
12345678910
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/הִתְנַבִּ֞י חַגַּ֣י נביא/ה וּ/זְכַרְיָ֤ה בַר עִדּוֹא֙ נביאי/א עַל יְה֣וּדָיֵ֔/א דִּ֥י בִ/יה֖וּד וּ/בִ/ירוּשְׁלֶ֑ם בְּ/שֻׁ֛ם אֱלָ֥הּ יִשְׂרָאֵ֖ל עֲלֵי/הֽוֹן נְבִיָּ֗/א נְבִיַּיָּ֔/א־־׃ס
STATEN

Haggaï nu, de profeet, en Zacharía, de zoon van Iddo, profeten, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in den naam des Gods van Israël profeteerden zij tot hen.

2
בֵּ/אדַ֡יִן קָ֠מוּ זְרֻבָּבֶ֤ל בַּר שְׁאַלְתִּיאֵל֙ וְ/יֵשׁ֣וּעַ בַּר יֽוֹצָדָ֔ק וְ/שָׁרִ֣יו לְ/מִבְנֵ֔א בֵּ֥ית אֱלָהָ֖/א דִּ֣י בִ/ירֽוּשְׁלֶ֑ם וְ/עִמְּ/ה֛וֹן נביאי/א דִֽי אֱלָהָ֖/א מְסָעֲדִ֥ין לְ/הֽוֹן־־־׃פ נְבִיַּיָּ֥/א
STATEN

Toen maakten zich op Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en Jésua, de zoon van Józadak, en begonnen te bouwen het huis Gods, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten Gods, die hen ondersteunden.

3
בֵּ/הּ זִמְנָ/א֩ אֲתָ֨א עֲלֵי/ה֜וֹן תַּ֠תְּנַי פַּחַ֧ת עֲבַֽר נַהֲרָ֛/ה וּ/שְׁתַ֥ר בּוֹזְנַ֖י וּ/כְנָוָתְ/ה֑וֹן וְ/כֵן֙ אָמְרִ֣ין לְ/הֹ֔ם מַן שָׂ֨ם לְ/כֹ֜ם טְעֵ֗ם בַּיְתָ֤/א דְנָה֙ לִ/בְּנֵ֔א וְ/אֻשַּׁרְנָ֥/א דְנָ֖ה לְ/שַׁכְלָלָֽה־־־׃ס
STATEN

Te dier tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?

4
אֱדַ֥יִן כְּנֵ֖מָא אֲמַ֣רְנָא לְּ/הֹ֑ם מַן אִנּוּן֙ שְׁמָהָ֣ת גֻּבְרַיָּ֔/א דִּֽי דְנָ֥ה בִנְיָנָ֖/א בָּנַֽיִן־־׃
STATEN

Toen zeiden wij aldus tot hen, en welke de namen waren der mannen, die dit gebouw bouwden.

5
וְ/עֵ֣ין אֱלָהֲ/הֹ֗ם הֲוָת֙ עַל שָׂבֵ֣י יְהוּדָיֵ֔/א וְ/לָא בַטִּ֣לוּ הִמּ֔וֹ עַד טַעְמָ֖/א לְ/דָרְיָ֣וֶשׁ יְהָ֑ךְ וֶ/אֱדַ֛יִן יְתִיב֥וּן נִשְׁתְּוָנָ֖/א עַל דְּנָֽה־־־־׃פ
STATEN

Doch het oog huns Gods was over de oudsten der Joden, dat zij hun niet beletten, totdat de zaak aan Daríus kwam, en zij alsdan daarover een brief wederbrachten.

6
פַּרְשֶׁ֣גֶן אִ֠גַּרְתָּ/א דִּֽי שְׁלַ֞ח תַּתְּנַ֣י פַּחַ֣ת עֲבַֽר נַהֲרָ֗/ה וּ/שְׁתַ֤ר בּוֹזְנַי֙ וּ/כְנָ֣וָתֵ֔/הּ אֲפַ֨רְסְכָיֵ֔/א דִּ֖י בַּ/עֲבַ֣ר נַהֲרָ֑/ה עַל דָּרְיָ֖וֶשׁ מַלְכָּֽ/א־׀־־׃
STATEN

Afschrift des briefs, dien Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, met Sthar-Boznai, en zijn gezelschap, de Afarsechaïeten, die aan deze zijde der rivier waren, aan den koning Daríus zond.

7
פִּתְגָמָ֖/א שְׁלַ֣חוּ עֲל֑וֹ/הִי וְ/כִ/דְנָה֙ כְּתִ֣יב בְּ/גַוֵּ֔/הּ לְ/דָרְיָ֥וֶשׁ מַלְכָּ֖/א שְׁלָמָ֥/א כֹֽלָּ/א׃ס
STATEN

Zij zonden een verhaal aan hem; en daarin was aldus geschreven: Den koning Daríus zij alle vrede.

8
יְדִ֣יעַ לֶהֱוֵ֣א לְ/מַלְכָּ֗/א דִּֽי אֲזַ֜לְנָא לִ/יה֤וּד מְדִֽינְתָּ/א֙ לְ/בֵית֙ אֱלָהָ֣/א רַבָּ֔/א וְ/ה֤וּא מִתְבְּנֵא֙ אֶ֣בֶן גְּלָ֔ל וְ/אָ֖ע מִתְּשָׂ֣ם בְּ/כֻתְלַיָּ֑/א וַ/עֲבִ֥ידְתָּ/א דָ֛ךְ אָסְפַּ֥רְנָא מִתְעַבְדָ֖א וּ/מַצְלַ֥ח בְּ/יֶדְ/הֹֽם׀־׃ס
STATEN

Den koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar het landschap Juda, ten huize des groten Gods, hetwelk gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt gelegd in de wanden; en datzelve werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoediglijk door hun handen voort.

9
אֱדַ֗יִן שְׁאֵ֨לְנָא֙ לְ/שָׂבַיָּ֣/א אִלֵּ֔ךְ כְּנֵ֖מָא אֲמַ֣רְנָא לְּ/הֹ֑ם מַן שָׂ֨ם לְ/כֹ֜ם טְעֵ֗ם בַּיְתָ֤/א דְנָה֙ לְ/מִבְנְיָ֔ה וְ/אֻשַּׁרְנָ֥/א דְנָ֖ה לְ/שַׁכְלָלָֽה־׃
STATEN

Toen hebben wij denzelven oudsten gevraagd, en aldus tot hen gezegd: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?

10
וְ/אַ֧ף שְׁמָהָתְ/הֹ֛ם שְׁאֵ֥לְנָא לְּ/הֹ֖ם לְ/הוֹדָעוּתָ֑/ךְ דִּ֛י נִכְתֻּ֥ב שֻׁם גֻּבְרַיָּ֖/א דִּ֥י בְ/רָאשֵׁי/הֹֽם־׃ס
STATEN

Wijders hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mochten overschrijven de namen der mannen, die hoofden onder hen zijn.

11
וּ/כְנֵ֥מָא פִתְגָמָ֖/א הֲתִיב֣וּ/נָא לְ/מֵמַ֑ר אֲנַ֣חְנָא הִמּ֡וֹ עַבְדוֹ/הִי֩ דִֽי אֱלָ֨הּ שְׁמַיָּ֜/א וְ/אַרְעָ֗/א וּ/בָנַ֤יִן בַּיְתָ/א֙ דִּֽי הֲוָ֨א בְנֵ֜ה מִ/קַּדְמַ֤ת דְּנָה֙ שְׁנִ֣ין שַׂגִּיאָ֔ן וּ/מֶ֤לֶךְ לְ/יִשְׂרָאֵל֙ רַ֔ב בְּנָ֖/הִי וְ/שַׁכְלְלֵֽ/הּ־־׃
STATEN

En zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde, en bouwen het huis, dat vele jaren vóór dezen is gebouwd geweest; want een groot koning van Israël had het gebouwd en voltrokken.

12
לָהֵ֗ן מִן דִּ֨י הַרְגִּ֤זוּ אֲבָהֳתַ֨/נָא֙ לֶ/אֱלָ֣הּ שְׁמַיָּ֔/א יְהַ֣ב הִמּ֔וֹ בְּ/יַ֛ד נְבוּכַדְנֶצַּ֥ר מֶֽלֶךְ בָּבֶ֖ל כסדי/א וּ/בַיְתָ֤/ה דְנָה֙ סַתְרֵ֔/הּ וְ/עַמָּ֖/ה הַגְלִ֥י לְ/בָבֶֽל־־׃ס כַּסְדָּאָ֑/ה
STATEN

Maar nadat onze vaders den God des hemels hadden vertoornd, heeft Hij hen gegeven in de hand van Nebukadnézar, den koning van Babel, den Chaldeeër; dewelke dat huis heeft vernield, en het volk naar Babel weggevoerd.

Op De Naamdragers

Blogs over Ezra 5

Nog geen artikelen die specifiek naar Ezra 5 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →