Ga naar inhoud
KETUVIM

Ezra 6

עֶזְרָא
Hoofdstukken (10)← → toetsen
12345678910
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בֵּ/אדַ֛יִן דָּרְיָ֥וֶשׁ מַלְכָּ֖/א שָׂ֣ם טְעֵ֑ם וּ/בַקַּ֣רוּ בְּ/בֵ֣ית סִפְרַיָּ֗/א דִּ֧י גִנְזַיָּ֛/א מְהַחֲתִ֥ין תַּמָּ֖ה בְּ/בָבֶֽל׀׃
STATEN

Toen gaf de koning Daríus bevel; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel.

2
וְ/הִשְׁתְּכַ֣ח בְּ/אַחְמְתָ֗א בְּ/בִֽירְתָ֛/א דִּ֛י בְּ/מָדַ֥י מְדִינְתָּ֖/ה מְגִלָּ֣ה חֲדָ֑ה וְ/כֵן כְּתִ֥יב בְּ/גַוַּ֖/הּ דִּכְרוֹנָֽ/ה־׃פ
STATEN

En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS:

3
בִּ/שְׁנַ֨ת חֲדָ֜ה לְ/כ֣וֹרֶשׁ מַלְכָּ֗/א כּ֣וֹרֶשׁ מַלְכָּ/א֮ שָׂ֣ם טְעֵם֒ בֵּית אֱלָהָ֤/א בִֽ/ירוּשְׁלֶם֙ בַּיְתָ֣/א יִתְבְּנֵ֔א אֲתַר֙ דִּֽי דָבְחִ֣ין דִּבְחִ֔ין וְ/אֻשּׁ֖וֹ/הִי מְסֽוֹבְלִ֑ין רוּמֵ/הּ֙ אַמִּ֣ין שִׁתִּ֔ין פְּתָיֵ֖/הּ אַמִּ֥ין שִׁתִּֽין־־׃
STATEN

In het eerste jaar van den koning Kores, gaf den koning Kores dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fondamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;

4
נִדְבָּכִ֞ין דִּי אֶ֤בֶן גְּלָל֙ תְּלָתָ֔א וְ/נִדְבָּ֖ךְ דִּי אָ֣ע חֲדַ֑ת וְ/נִ֨פְקְתָ֔/א מִן בֵּ֥ית מַלְכָּ֖/א תִּתְיְהִֽב־־־׃
STATEN

Met drie rijen van groten steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit des konings huis gegeven worden.

5
וְ֠/אַף מָאנֵ֣י בֵית אֱלָהָ/א֮ דִּ֣י דַהֲבָ֣/ה וְ/כַסְפָּ/א֒ דִּ֣י נְבֽוּכַדְנֶצַּ֗ר הַנְפֵּ֛ק מִן הֵיכְלָ֥/א דִי בִ/ירוּשְׁלֶ֖ם וְ/הֵיבֵ֣ל לְ/בָבֶ֑ל יַהֲתִיב֗וּן וִ֠/יהָךְ לְ/הֵיכְלָ֤/א דִי בִ/ירֽוּשְׁלֶם֙ לְ/אַתְרֵ֔/הּ וְ/תַחֵ֖ת בְּ/בֵ֥ית אֱלָהָֽ/א־־־־׃ס
STATEN

Daartoe zal men ook de gouden en zilveren vaten van het huis Gods, die Nebukadnézar uit den tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar den tempel, die te Jeruzalem is, aan zijn plaats, en men zal ze afvoeren ten huize Gods.

6
כְּעַ֡ן תַּ֠תְּנַי פַּחַ֨ת עֲבַֽר נַהֲרָ֜/ה שְׁתַ֤ר בּוֹזְנַי֙ וּ/כְנָוָ֣תְ/ה֔וֹן אֲפַרְסְכָיֵ֔/א דִּ֖י בַּ/עֲבַ֣ר נַהֲרָ֑/ה רַחִיקִ֥ין הֲו֖וֹ מִן תַּמָּֽה־־׃
STATEN

Nu, gij Thathnai, landvoogd aan gene zijde der rivier, gij Sthar-Boznai, met ulieder gezelschap, gij Afarsechaïeten, die aan gene zijde der rivier zijt, weest verre van daar!

7
שְׁבֻ֕קוּ לַ/עֲבִידַ֖ת בֵּית אֱלָהָ֣/א דֵ֑ךְ פַּחַ֤ת יְהוּדָיֵ/א֙ וּ/לְ/שָׂבֵ֣י יְהוּדָיֵ֔/א בֵּית אֱלָהָ֥/א דֵ֖ךְ יִבְנ֥וֹן עַל אַתְרֵֽ/הּ־־־׃
STATEN

Laat hen aan den arbeid van dit huis Gods; dat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods bouwen aan zijn plaats.

8
וּ/מִנִּ/י֮ שִׂ֣ים טְעֵם֒ לְ/מָ֣א דִֽי תַֽעַבְד֗וּן עִם שָׂבֵ֤י יְהוּדָיֵ/א֙ אִלֵּ֔ךְ לְ/מִבְנֵ֖א בֵּית אֱלָהָ֣/א דֵ֑ךְ וּ/מִ/נִּכְסֵ֣י מַלְכָּ֗/א דִּ֚י מִדַּת֙ עֲבַ֣ר נַהֲרָ֔/ה אָסְפַּ֗רְנָא נִפְקְתָ֛/א תֶּהֱוֵ֧א מִֽתְיַהֲבָ֛א לְ/גֻבְרַיָּ֥/א אִלֵּ֖ךְ דִּי לָ֥א לְ/בַטָּלָֽא־־־־׃
STATEN

Ook wordt van mij bevel gegeven, wat gijlieden doen zult aan de oudsten dezer Joden, om dit huis Gods te bouwen; te weten, dat uit des konings goederen, van den cijns aan gene zijde der rivier, de onkosten dezen mannen spoediglijk gegeven worden, opdat men hen niet belette.

9
וּ/מָ֣ה חַשְׁחָ֡ן וּ/בְנֵ֣י תוֹרִ֣ין וְ/דִכְרִ֣ין וְ/אִמְּרִ֣ין לַ/עֲלָוָ֣ן לֶ/אֱלָ֪הּ שְׁמַיָּ֟/א חִנְטִ֞ין מְלַ֣ח חֲמַ֣ר וּ/מְשַׁ֗ח כְּ/מֵאמַ֨ר כָּהֲנַיָּ֤/א דִי בִ/ירֽוּשְׁלֶם֙ לֶהֱוֵ֨א מִתְיְהֵ֥ב לְ/הֹ֛ם י֥וֹם בְּ/י֖וֹם דִּי לָ֥א שָׁלֽוּ׀׀׀־׀־׃
STATEN

En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan den God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der priesteren, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen feil zij;

10
דִּֽי לֶהֱוֺ֧ן מְהַקְרְבִ֛ין נִיחוֹחִ֖ין לֶ/אֱלָ֣הּ שְׁמַיָּ֑/א וּ/מְצַלַּ֕יִן לְ/חַיֵּ֥י מַלְכָּ֖/א וּ/בְנֽוֹ/הִי־׃
STATEN

Opdat zij offeranden van liefelijken reuk aan den God des hemels offeren, en bidden voor het leven des konings en zijner kinderen.

11
וּ/מִנִּ/י֮ שִׂ֣ים טְעֵם֒ דִּ֣י כָל אֱנָ֗שׁ דִּ֤י יְהַשְׁנֵא֙ פִּתְגָמָ֣/א דְנָ֔ה יִתְנְסַ֥ח אָע֙ מִן בַּיְתֵ֔/הּ וּ/זְקִ֖יף יִתְמְחֵ֣א עֲלֹ֑/הִי וּ/בַיְתֵ֛/הּ נְוָל֥וּ יִתְעֲבֵ֖ד עַל דְּנָֽה־־־׃
STATEN

Voorts wordt bevel van mij gegeven, dat al dengene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een drekhoop gemaakt worden.

12
וֵֽ/אלָהָ֞/א דִּ֣י שַׁכִּ֧ן שְׁמֵ֣/הּ תַּמָּ֗ה יְמַגַּ֞ר כָּל מֶ֤לֶךְ וְ/עַם֙ דִּ֣י יִשְׁלַ֣ח יְדֵ֗/הּ לְ/הַשְׁנָיָ֛ה לְ/חַבָּלָ֛ה בֵּית אֱלָהָ֥/א דֵ֖ךְ דִּ֣י בִ/ירוּשְׁלֶ֑ם אֲנָ֤ה דָרְיָ֨וֶשׁ֙ שָׂ֣מֶת טְעֵ֔ם אָסְפַּ֖רְנָא יִתְעֲבִֽד־׀־׃פ
STATEN

De God nu, die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neder alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. Ik, Daríus, heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde.

Op De Naamdragers

Blogs over Ezra 6

Nog geen artikelen die specifiek naar Ezra 6 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →