KETUVIM

Hooglied 4

שִׁיר הַשִּׁירִים
Hoofdstukken (8)
12345678
Getuigen
Interlineair
1
הִנָּ֨/ךְ יָפָ֤ה רַעְיָתִ/י֙ הִנָּ֣/ךְ יָפָ֔ה עֵינַ֣יִ/ךְ יוֹנִ֔ים מִ/בַּ֖עַד לְ/צַמָּתֵ֑/ךְ שַׂעְרֵ/ךְ֙ כְּ/עֵ֣דֶר הָֽ/עִזִּ֔ים שֶׁ/גָּלְשׁ֖וּ מֵ/הַ֥ר גִּלְעָֽד
STATEN

Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van den berg Gileads afscheren.

2
שִׁנַּ֨יִ/ךְ֙ כְּ/עֵ֣דֶר הַ/קְּצוּב֔וֹת שֶׁ/עָל֖וּ מִן הָ/רַחְצָ֑ה שֶׁ/כֻּלָּ/ם֙ מַתְאִימ֔וֹת וְ/שַׁכֻּלָ֖ה אֵ֥ין בָּ/הֶֽם
STATEN

Uw tanden zijn als een kudde schapen, die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al te zamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos.

3
כְּ/ח֤וּט הַ/שָּׁנִי֙ שִׂפְתֹתַ֔יִ/ךְ וּ/מִדְבָּרֵ֖י/ךְ נָאוֶ֑ה כְּ/פֶ֤לַח הָֽ/רִמּוֹן֙ רַקָּתֵ֔/ךְ מִ/בַּ֖עַד לְ/צַמָּתֵֽ/ךְ
STATEN

Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.

4
כְּ/מִגְדַּ֤ל דָּוִיד֙ צַוָּארֵ֔/ךְ בָּנ֖וּי לְ/תַלְפִּיּ֑וֹת אֶ֤לֶף הַ/מָּגֵן֙ תָּל֣וּי עָלָ֔י/ו כֹּ֖ל שִׁלְטֵ֥י הַ/גִּבּוֹרִֽים
STATEN

Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden der helden.

5
שְׁנֵ֥י שָׁדַ֛יִ/ךְ כִּ/שְׁנֵ֥י עֳפָרִ֖ים תְּאוֹמֵ֣י צְבִיָּ֑ה הָ/רוֹעִ֖ים בַּ/שּׁוֹשַׁנִּֽים
STATEN

Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden.

6
עַ֤ד שֶׁ/יָּפ֨וּחַ֙ הַ/יּ֔וֹם וְ/נָ֖סוּ הַ/צְּלָלִ֑ים אֵ֤לֶךְ לִ/י֙ אֶל הַ֣ר הַ/מּ֔וֹר וְ/אֶל גִּבְעַ֖ת הַ/לְּבוֹנָֽה
STATEN

Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden, zal Ik gaan tot den mirreberg, en tot den wierookheuvel.

7
כֻּלָּ֤/ךְ יָפָה֙ רַעְיָתִ֔/י וּ/מ֖וּם אֵ֥ין בָּֽ/ךְ
STATEN

Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.

8
אִתִּ֤/י מִ/לְּבָנוֹן֙ כַּלָּ֔ה אִתִּ֖/י מִ/לְּבָנ֣וֹן תָּב֑וֹאִי תָּשׁ֣וּרִי מֵ/רֹ֣אשׁ אֲמָנָ֗ה מֵ/רֹ֤אשׁ שְׂנִיר֙ וְ/חֶרְמ֔וֹן מִ/מְּעֹנ֣וֹת אֲרָי֔וֹת מֵֽ/הַרְרֵ֖י נְמֵרִֽים
STATEN

Bij Mij van den Libanon af, o bruid! kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amána, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.

9
לִבַּבְתִּ֖/נִי אֲחֹתִ֣/י כַלָּ֑ה לִבַּבְתִּ֨י/נִי֙ ב/אחד מֵ/עֵינַ֔יִ/ךְ בְּ/אַחַ֥ד עֲנָ֖ק מִ/צַּוְּרֹנָֽיִ/ךְ בְּ/אַחַ֣ת
STATEN

Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals.

10
מַה יָּפ֥וּ דֹדַ֖יִ/ךְ אֲחֹתִ֣/י כַלָּ֑ה מַה טֹּ֤בוּ דֹדַ֨יִ/ךְ֙ מִ/יַּ֔יִן וְ/רֵ֥יחַ שְׁמָנַ֖יִ/ךְ מִ/כָּל בְּשָׂמִֽים
STATEN

Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer oliën dan alle specerijen!

11
נֹ֛פֶת תִּטֹּ֥פְנָה שִׂפְתוֹתַ֖יִ/ךְ כַּלָּ֑ה דְּבַ֤שׁ וְ/חָלָב֙ תַּ֣חַת לְשׁוֹנֵ֔/ךְ וְ/רֵ֥יחַ שַׂלְמֹתַ֖יִ/ךְ כְּ/רֵ֥יחַ לְבָנֽוֹן
STATEN

Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon.

12
גַּ֥ן נָע֖וּל אֲחֹתִ֣/י כַלָּ֑ה גַּ֥ל נָע֖וּל מַעְיָ֥ן חָתֽוּם
STATEN

Mijn zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein.

13
שְׁלָחַ֨יִ/ךְ֙ פַּרְדֵּ֣ס רִמּוֹנִ֔ים עִ֖ם פְּרִ֣י מְגָדִ֑ים כְּפָרִ֖ים עִם נְרָדִֽים
STATEN

Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus;

14
נֵ֣רְדְּ וְ/כַרְכֹּ֗ם קָנֶה֙ וְ/קִנָּמ֔וֹן עִ֖ם כָּל עֲצֵ֣י לְבוֹנָ֑ה מֹ֚ר וַ/אֲהָל֔וֹת עִ֖ם כָּל רָאשֵׁ֥י בְשָׂמִֽים
STATEN

Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen.

15
מַעְיַ֣ן גַּנִּ֔ים בְּאֵ֖ר מַ֣יִם חַיִּ֑ים וְ/נֹזְלִ֖ים מִן לְבָנֽוֹן
STATEN

O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien!

16
ע֤וּרִי צָפוֹן֙ וּ/ב֣וֹאִי תֵימָ֔ן הָפִ֥יחִי גַנִּ֖/י יִזְּל֣וּ בְשָׂמָ֑י/ו יָבֹ֤א דוֹדִ/י֙ לְ/גַנּ֔/וֹ וְ/יֹאכַ֖ל פְּרִ֥י מְגָדָֽי/ו
STATEN

Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten!