KETUVIM

Hooglied 5

שִׁיר הַשִּׁירִים
Hoofdstukken (8)
12345678
Getuigen
Interlineair
1
בָּ֣אתִי לְ/גַנִּ/י֮ אֲחֹתִ֣/י כַלָּה֒ אָרִ֤יתִי מוֹרִ/י֙ עִם בְּשָׂמִ֔/י אָכַ֤לְתִּי יַעְרִ/י֙ עִם דִּבְשִׁ֔/י שָׁתִ֥יתִי יֵינִ֖/י עִם חֲלָבִ֑/י אִכְל֣וּ רֵעִ֔ים שְׁת֥וּ וְ/שִׁכְר֖וּ דּוֹדִֽים
STATEN

Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten!

2
אֲנִ֥י יְשֵׁנָ֖ה וְ/לִבִּ֣/י עֵ֑ר ק֣וֹל דּוֹדִ֣/י דוֹפֵ֗ק פִּתְחִי לִ֞/י אֲחֹתִ֤/י רַעְיָתִ/י֙ יוֹנָתִ֣/י תַמָּתִ֔/י שֶׁ/רֹּאשִׁ/י֙ נִמְלָא טָ֔ל קְוֻּצּוֹתַ֖/י רְסִ֥יסֵי לָֽיְלָה
STATEN

Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.

3
פָּשַׁ֨טְתִּי֙ אֶת כֻּתָּנְתִּ֔/י אֵיכָ֖כָה אֶלְבָּשֶׁ֑/נָּה רָחַ֥צְתִּי אֶת רַגְלַ֖/י אֵיכָ֥כָה אֲטַנְּפֵֽ/ם
STATEN

Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen?

4
דּוֹדִ֗/י שָׁלַ֤ח יָד/וֹ֙ מִן הַ/חֹ֔ר וּ/מֵעַ֖/י הָמ֥וּ עָלָֽי/ו
STATEN

Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat der deur; en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil.

5
קַ֥מְתִּֽי אֲנִ֖י לִ/פְתֹּ֣חַ לְ/דוֹדִ֑/י וְ/יָדַ֣/י נָֽטְפוּ מ֗וֹר וְ/אֶצְבְּעֹתַ/י֙ מ֣וֹר עֹבֵ֔ר עַ֖ל כַּפּ֥וֹת הַ/מַּנְעֽוּל
STATEN

Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handhaven des slots.

6
פָּתַ֤חְתִּֽי אֲנִי֙ לְ/דוֹדִ֔/י וְ/דוֹדִ֖/י חָמַ֣ק עָבָ֑ר נַפְשִׁ/י֙ יָֽצְאָ֣ה בְ/דַבְּר֔/וֹ בִּקַּשְׁתִּ֨י/הוּ֙ וְ/לֹ֣א מְצָאתִ֔י/הוּ קְרָאתִ֖י/ו וְ/לֹ֥א עָנָֽ/נִי
STATEN

Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet.

7
מְצָאֻ֧/נִי הַ/שֹּׁמְרִ֛ים הַ/סֹּבְבִ֥ים בָּ/עִ֖יר הִכּ֣וּ/נִי פְצָע֑וּ/נִי נָשְׂא֤וּ אֶת רְדִידִ/י֙ מֵֽ/עָלַ֔/י שֹׁמְרֵ֖י הַ/חֹמֽוֹת
STATEN

De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij.

8
הִשְׁבַּ֥עְתִּי אֶתְ/כֶ֖ם בְּנ֣וֹת יְרוּשָׁלִָ֑ם אִֽם תִּמְצְאוּ֙ אֶת דּוֹדִ֔/י מַה תַּגִּ֣ידוּ ל֔/וֹ שֶׁ/חוֹלַ֥ת אַהֲבָ֖ה אָֽנִי
STATEN

Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem! indien gij mijn Liefste vindt, wat zult gij Hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde.

9
מַה דּוֹדֵ֣/ךְ מִ/דּ֔וֹד הַ/יָּפָ֖ה בַּ/נָּשִׁ֑ים מַה דּוֹדֵ֣/ךְ מִ/דּ֔וֹד שֶׁ/כָּ֖כָה הִשְׁבַּעְתָּֽ/נוּ
STATEN

Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o gij schoonste onder de vrouwen! wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, dat gij ons zo bezworen hebt!

10
דּוֹדִ֥/י צַח֙ וְ/אָד֔וֹם דָּג֖וּל מֵ/רְבָבָֽה
STATEN

Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend.

11
רֹאשׁ֖/וֹ כֶּ֣תֶם פָּ֑ז קְוּצּוֹתָי/ו֙ תַּלְתַּלִּ֔ים שְׁחֹר֖וֹת כָּ/עוֹרֵֽב
STATEN

Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf.

12
עֵינָ֕י/ו כְּ/יוֹנִ֖ים עַל אֲפִ֣יקֵי מָ֑יִם רֹֽחֲצוֹת֙ בֶּֽ/חָלָ֔ב יֹשְׁב֖וֹת עַל מִלֵּֽאת
STATEN

Zijn ogen zijn als der duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes der ringen.

13
לְחָיָ/ו֙ כַּ/עֲרוּגַ֣ת הַ/בֹּ֔שֶׂם מִגְדְּל֖וֹת מֶרְקָחִ֑ים שִׂפְתוֹתָי/ו֙ שֽׁוֹשַׁנִּ֔ים נֹטְפ֖וֹת מ֥וֹר עֹבֵֽר
STATEN

Zijn wangen zijn als een bed van specerij, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre.

14
יָדָי/ו֙ גְּלִילֵ֣י זָהָ֔ב מְמֻלָּאִ֖ים בַּ/תַּרְשִׁ֑ישׁ מֵעָי/ו֙ עֶ֣שֶׁת שֵׁ֔ן מְעֻלֶּ֖פֶת סַפִּירִֽים
STATEN

Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren.

15
שׁוֹקָי/ו֙ עַמּ֣וּדֵי שֵׁ֔שׁ מְיֻסָּדִ֖ים עַל אַדְנֵי פָ֑ז מַרְאֵ֨/הוּ֙ כַּ/לְּבָנ֔וֹן בָּח֖וּר כָּ/אֲרָזִֽים
STATEN

Zijn schenkelen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.

16
חִכּ/וֹ֙ מַֽמְתַקִּ֔ים וְ/כֻלּ֖/וֹ מַחֲּמַדִּ֑ים זֶ֤ה דוֹדִ/י֙ וְ/זֶ֣ה רֵעִ֔/י בְּנ֖וֹת יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!