KETUVIM

Hooglied 6

שִׁיר הַשִּׁירִים
Hoofdstukken (8)
12345678
Getuigen
Interlineair
1
אָ֚נָה הָלַ֣ךְ דּוֹדֵ֔/ךְ הַ/יָּפָ֖ה בַּ/נָּשִׁ֑ים אָ֚נָה פָּנָ֣ה דוֹדֵ֔/ךְ וּ/נְבַקְשֶׁ֖/נּוּ עִמָּֽ/ךְ
STATEN

Waar is uw Liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken?

2
דּוֹדִ/י֙ יָרַ֣ד לְ/גַנּ֔/וֹ לַ/עֲרוּג֖וֹת הַ/בֹּ֑שֶׂם לִ/רְעוֹת֙ בַּ/גַּנִּ֔ים וְ/לִ/לְקֹ֖ט שֽׁוֹשַׁנִּֽים
STATEN

Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen.

3
אֲנִ֤י לְ/דוֹדִ/י֙ וְ/דוֹדִ֣/י לִ֔/י הָ/רֹעֶ֖ה בַּ/שׁוֹשַׁנִּֽים
STATEN

Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is mijn, Die onder de leliën weidt.

4
יָפָ֨ה אַ֤תְּ רַעְיָתִ/י֙ כְּ/תִרְצָ֔ה נָאוָ֖ה כִּ/ירוּשָׁלִָ֑ם אֲיֻמָּ֖ה כַּ/נִּדְגָּלֽוֹת
STATEN

Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren.

5
הָסֵ֤בִּי עֵינַ֨יִ/ךְ֙ מִ/נֶּגְדִּ֔/י שֶׁ֥/הֵ֖ם הִרְהִיבֻ֑/נִי שַׂעְרֵ/ךְ֙ כְּ/עֵ֣דֶר הָֽ/עִזִּ֔ים שֶׁ/גָּלְשׁ֖וּ מִן הַ/גִּלְעָֽד
STATEN

Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren.

6
שִׁנַּ֨יִ/ךְ֙ כְּ/עֵ֣דֶר הָֽ/רְחֵלִ֔ים שֶׁ/עָל֖וּ מִן הָ/רַחְצָ֑ה שֶׁ/כֻּלָּ/ם֙ מַתְאִימ֔וֹת וְ/שַׁכֻּלָ֖ה אֵ֥ין בָּ/הֶֽם
STATEN

Uw tanden zijn als een kudde schapen, die uit de wasstede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen, en onder dezelve is geen jongeloos.

7
כְּ/פֶ֤לַח הָ/רִמּוֹן֙ רַקָּתֵ֔/ךְ מִ/בַּ֖עַד לְ/צַמָּתֵֽ/ךְ
STATEN

Uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.

8
שִׁשִּׁ֥ים הֵ֨מָּה֙ מְּלָכ֔וֹת וּ/שְׁמֹנִ֖ים פִּֽילַגְשִׁ֑ים וַ/עֲלָמ֖וֹת אֵ֥ין מִסְפָּֽר
STATEN

Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal.

9
אַחַ֥ת הִיא֙ יוֹנָתִ֣/י תַמָּתִ֔/י אַחַ֥ת הִיא֙ לְ/אִמָּ֔/הּ בָּרָ֥ה הִ֖יא לְ/יֽוֹלַדְתָּ֑/הּ רָא֤וּ/הָ בָנוֹת֙ וַֽ/יְאַשְּׁר֔וּ/הָ מְלָכ֥וֹת וּ/פִֽילַגְשִׁ֖ים וַֽ/יְהַלְלֽוּ/הָ
STATEN

Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige harer moeder, zij is de zuivere dergene, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen.

10
מִי זֹ֥את הַ/נִּשְׁקָפָ֖ה כְּמוֹ שָׁ֑חַר יָפָ֣ה כַ/לְּבָנָ֗ה בָּרָה֙ כַּֽ/חַמָּ֔ה אֲיֻמָּ֖ה כַּ/נִּדְגָּלֽוֹת
STATEN

Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren?

11
אֶל גִּנַּ֤ת אֱגוֹז֙ יָרַ֔דְתִּי לִ/רְא֖וֹת בְּ/אִבֵּ֣י הַ/נָּ֑חַל לִ/רְאוֹת֙ הֲ/פָֽרְחָ֣ה הַ/גֶּ֔פֶן הֵנֵ֖צוּ הָ/רִמֹּנִֽים
STATEN

Ik ben tot den notenhof afgegaan om de groene vruchten der vallei te zien; om te zien, of de wijnstok bloeide, de granaatbomen uitbotten.

12
לֹ֣א יָדַ֔עְתִּי נַפְשִׁ֣/י שָׂמַ֔תְ/נִי מַרְכְּב֖וֹת עַמִּ/י נָדִֽיב
STATEN

Eer ik het wist, zette mij mijn ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk.

13

Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.