KETUVIM

Hooglied 1

שִׁיר הַשִּׁירִים
Hoofdstukken (8)
12345678
Getuigen
Interlinear
1
שִׁ֥יר הַ/שִּׁירִ֖ים אֲשֶׁ֥ר לִ/שְׁלֹמֹֽה
STATEN

Het Hooglied, hetwelk van Sálomo is.

2
יִשָּׁקֵ֨/נִי֙ מִ/נְּשִׁיק֣וֹת פִּ֔י/הוּ כִּֽי טוֹבִ֥ים דֹּדֶ֖י/ךָ מִ/יָּֽיִן
STATEN

Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.

3
לְ/רֵ֨יחַ֙ שְׁמָנֶ֣י/ךָ טוֹבִ֔ים שֶׁ֖מֶן תּוּרַ֣ק שְׁמֶ֑/ךָ עַל כֵּ֖ן עֲלָמ֥וֹת אֲהֵבֽוּ/ךָ
STATEN

Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief.

4
מָשְׁכֵ֖/נִי אַחֲרֶ֣י/ךָ נָּר֑וּצָה הֱבִיאַ֨/נִי הַ/מֶּ֜לֶךְ חֲדָרָ֗י/ו נָגִ֤ילָה וְ/נִשְׂמְחָה֙ בָּ֔/ךְ נַזְכִּ֤ירָה דֹדֶ֨י/ךָ֙ מִ/יַּ֔יִן מֵישָׁרִ֖ים אֲהֵבֽוּ/ךָ
STATEN

Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief.

5
שְׁחוֹרָ֤ה אֲנִי֙ וְֽ/נָאוָ֔ה בְּנ֖וֹת יְרוּשָׁלִָ֑ם כְּ/אָהֳלֵ֣י קֵדָ֔ר כִּ/ירִיע֖וֹת שְׁלֹמֹֽה
STATEN

Ik ben zwart, doch lieflijk, gij dochters van Jeruzalem, gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Sálomo.

6
אַל תִּרְא֨וּ/נִי֙ שֶׁ/אֲנִ֣י שְׁחַרְחֹ֔רֶת שֶׁ/שֱּׁזָפַ֖תְ/נִי הַ/שָּׁ֑מֶשׁ בְּנֵ֧י אִמִּ֣/י נִֽחֲרוּ בִ֗/י שָׂמֻ֨/נִי֙ נֹטֵרָ֣ה אֶת הַ/כְּרָמִ֔ים כַּרְמִ֥/י שֶׁ/לִּ֖/י לֹ֥א נָטָֽרְתִּי
STATEN

Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.

7
הַגִּ֣ידָ/ה לִּ֗/י שֶׁ֤/אָהֲבָה֙ נַפְשִׁ֔/י אֵיכָ֣ה תִרְעֶ֔ה אֵיכָ֖ה תַּרְבִּ֣יץ בַּֽ/צָּהֳרָ֑יִם שַׁ/לָּ/מָ֤ה אֶֽהְיֶה֙ כְּ/עֹ֣טְיָ֔ה עַ֖ל עֶדְרֵ֥י חֲבֵרֶֽי/ךָ
STATEN

Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen?

8
אִם לֹ֤א תֵדְעִי֙ לָ֔/ךְ הַ/יָּפָ֖ה בַּ/נָּשִׁ֑ים צְֽאִי לָ֞/ךְ בְּ/עִקְבֵ֣י הַ/צֹּ֗אן וּ/רְעִי֙ אֶת גְּדִיֹּתַ֔יִ/ךְ עַ֖ל מִשְׁכְּנ֥וֹת הָ/רֹעִֽים
STATEN

Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen.

9
לְ/סֻסָתִ/י֙ בְּ/רִכְבֵ֣י פַרְעֹ֔ה דִּמִּיתִ֖י/ךְ רַעְיָתִֽ/י
STATEN

Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Faraö.

10
נָאו֤וּ לְחָיַ֨יִ/ךְ֙ בַּ/תֹּרִ֔ים צַוָּארֵ֖/ךְ בַּ/חֲרוּזִֽים
STATEN

Uw wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren.

11
תּוֹרֵ֤י זָהָב֙ נַעֲשֶׂה לָּ֔/ךְ עִ֖ם נְקֻדּ֥וֹת הַ/כָּֽסֶף
STATEN

Wij zullen u gouden spangen maken, met zilveren stipjes.

12
עַד שֶׁ֤/הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ בִּ/מְסִבּ֔/וֹ נִרְדִּ֖/י נָתַ֥ן רֵיחֽ/וֹ
STATEN

Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk.

13
צְר֨וֹר הַ/מֹּ֤ר דּוֹדִ/י֙ לִ֔/י בֵּ֥ין שָׁדַ֖/י יָלִֽין
STATEN

Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht.

14
אֶשְׁכֹּ֨ל הַ/כֹּ֤פֶר דּוֹדִ/י֙ לִ֔/י בְּ/כַרְמֵ֖י עֵ֥ין גֶּֽדִי
STATEN

Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi.

15
הִנָּ֤/ךְ יָפָה֙ רַעְיָתִ֔/י הִנָּ֥/ךְ יָפָ֖ה עֵינַ֥יִ/ךְ יוֹנִֽים
STATEN

Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duivenogen.

16
הִנְּ/ךָ֨ יָפֶ֤ה דוֹדִ/י֙ אַ֣ף נָעִ֔ים אַף עַרְשֵׂ֖/נוּ רַעֲנָנָֽה
STATEN

Zie, Gij zijt schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede.

17
קֹר֤וֹת בָּתֵּ֨י/נוּ֙ אֲרָזִ֔ים רחיט/נו בְּרוֹתִֽים רַהִיטֵ֖/נוּ
STATEN

De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cypressen.