KETUVIM

Hooglied 7

שִׁיר הַשִּׁירִים
Hoofdstukken (8)
12345678
Getuigen
Interlineair
1
שׁ֤וּבִי שׁ֨וּבִי֙ הַ/שּׁ֣וּלַמִּ֔ית שׁ֥וּבִי שׁ֖וּבִי וְ/נֶחֱזֶה בָּ֑/ךְ מַֽה תֶּחֱזוּ֙ בַּ/שּׁ֣וּלַמִּ֔ית כִּ/מְחֹלַ֖ת הַֽ/מַּחֲנָֽיִם
STATEN

Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, gij prinsendochter! de omdraaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.

2
מַה יָּפ֧וּ פְעָמַ֛יִ/ךְ בַּ/נְּעָלִ֖ים בַּת נָדִ֑יב חַמּוּקֵ֣י יְרֵכַ֔יִ/ךְ כְּמ֣וֹ חֲלָאִ֔ים מַעֲשֵׂ֖ה יְדֵ֥י אָמָּֽן
STATEN

Uw navel is als een ronde beker, dien geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet met leliën.

3
שָׁרְרֵ/ךְ֙ אַגַּ֣ן הַ/סַּ֔הַר אַל יֶחְסַ֖ר הַ/מָּ֑זֶג בִּטְנֵ/ךְ֙ עֲרֵמַ֣ת חִטִּ֔ים סוּגָ֖ה בַּ/שּׁוֹשַׁנִּֽים
STATEN

Uw twee borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree.

4
שְׁנֵ֥י שָׁדַ֛יִ/ךְ כִּ/שְׁנֵ֥י עֳפָרִ֖ים תָּאֳמֵ֥י צְבִיָּֽה
STATEN

Uw hals is als een elpenbenen toren, uw ogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damaskus ziet.

5
צַוָּארֵ֖/ךְ כְּ/מִגְדַּ֣ל הַ/שֵּׁ֑ן עֵינַ֜יִ/ךְ בְּרֵכ֣וֹת בְּ/חֶשְׁבּ֗וֹן עַל שַׁ֨עַר֙ בַּת רַבִּ֔ים אַפֵּ/ךְ֙ כְּ/מִגְדַּ֣ל הַ/לְּבָנ֔וֹן צוֹפֶ֖ה פְּנֵ֥י דַמָּֽשֶׂק
STATEN

Uw hoofd op u is als Karmel, en de haarband uws hoofds als purper; de koning is als gebonden op de galerijen.

6
רֹאשֵׁ֤/ךְ עָלַ֨יִ/ךְ֙ כַּ/כַּרְמֶ֔ל וְ/דַלַּ֥ת רֹאשֵׁ֖/ךְ כָּ/אַרְגָּמָ֑ן מֶ֖לֶךְ אָס֥וּר בָּ/רְהָטִֽים
STATEN

Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, in wellusten!

7
מַה יָּפִית֙ וּ/מַה נָּעַ֔מְתְּ אַהֲבָ֖ה בַּ/תַּֽעֲנוּגִֽים
STATEN

Deze uw lengte is te vergelijken bij een palmboom, en uw borsten bij druiftrossen.

8
זֹ֤את קֽוֹמָתֵ/ךְ֙ דָּֽמְתָ֣ה לְ/תָמָ֔ר וְ/שָׁדַ֖יִ/ךְ לְ/אַשְׁכֹּלֽוֹת
STATEN

Ik zeide: Ik zal op den palmboom klimmen, Ik zal zijn takken grijpen; zo zullen dan uw borsten zijn als druiftrossen aan den wijnstok, en de reuk van uw neus als appelen.

9
אָמַ֨רְתִּי֙ אֶעֱלֶ֣ה בְ/תָמָ֔ר אֹֽחֲזָ֖ה בְּ/סַנְסִנָּ֑י/ו וְ/יִֽהְיוּ נָ֤א שָׁדַ֨יִ/ךְ֙ כְּ/אֶשְׁכְּל֣וֹת הַ/גֶּ֔פֶן וְ/רֵ֥יחַ אַפֵּ֖/ךְ כַּ/תַּפּוּחִֽים
STATEN

En uw gehemelte als goede wijn, die recht tot Mijn beminde gaat, doende de lippen der slapenden spreken.

10
וְ/חִכֵּ֕/ךְ כְּ/יֵ֥ין הַ/טּ֛וֹב הוֹלֵ֥ךְ לְ/דוֹדִ֖/י לְ/מֵישָׁרִ֑ים דּוֹבֵ֖ב שִׂפְתֵ֥י יְשֵׁנִֽים
STATEN

Ik ben mijns Liefsten, en Zijn genegenheid is tot mij.

11
אֲנִ֣י לְ/דוֹדִ֔/י וְ/עָלַ֖/י תְּשׁוּקָתֽ/וֹ
STATEN

Kom, mijn Liefste! laat ons uitgaan in het veld, laat ons vernachten op de dorpen.

12
לְכָ֤/ה דוֹדִ/י֙ נֵצֵ֣א הַ/שָּׂדֶ֔ה נָלִ֖ינָה בַּ/כְּפָרִֽים
STATEN

Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; daar zal ik U mijn uitnemende liefde geven.

13
נַשְׁכִּ֨ימָה֙ לַ/כְּרָמִ֔ים נִרְאֶ֞ה אִם פָּֽרְחָ֤ה הַ/גֶּ֨פֶן֙ פִּתַּ֣ח הַ/סְּמָדַ֔ר הֵנֵ֖צוּ הָ/רִמּוֹנִ֑ים שָׁ֛ם אֶתֵּ֥ן אֶת דֹּדַ֖/י לָֽ/ךְ
STATEN

De dûdaïm geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn Liefste! die heb ik voor U weggelegd.

14
הַֽ/דּוּדָאִ֣ים נָֽתְנוּ רֵ֗יחַ וְ/עַל פְּתָחֵ֨י/נוּ֙ כָּל מְגָדִ֔ים חֲדָשִׁ֖ים גַּם יְשָׁנִ֑ים דּוֹדִ֖/י צָפַ֥נְתִּי לָֽ/ךְ