KETUVIM

Nehemia 3

נְחֶמְיָה
Hoofdstukken (13)
12345678910111213
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יָּ֡קָם אֶלְיָשִׁיב֩ הַ/כֹּהֵ֨ן הַ/גָּד֜וֹל וְ/אֶחָ֣י/ו הַ/כֹּהֲנִ֗ים וַ/יִּבְנוּ֙ אֶת שַׁ֣עַר הַ/צֹּ֔אן הֵ֣מָּה קִדְּשׁ֔וּ/הוּ וַֽ/יַּעֲמִ֖ידוּ דַּלְתֹתָ֑י/ו וְ/עַד מִגְדַּ֤ל הַ/מֵּאָה֙ קִדְּשׁ֔וּ/הוּ עַ֖ד מִגְדַּ֥ל חֲנַנְאֵֽל
STATEN

En Eljásib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broederen, de priesteren, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan den toren Mea, tot aan den toren Hanáneël.

2
וְ/עַל יָד֥/וֹ בָנ֖וּ אַנְשֵׁ֣י יְרֵח֑וֹ וְ/עַל יָד֣/וֹ בָנָ֔ה זַכּ֖וּר בֶּן אִמְרִֽי
STATEN

En aan zijn hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijn hand Zacchur, de zoon van Imri.

3
וְ/אֵת֙ שַׁ֣עַר הַ/דָּגִ֔ים בָּנ֖וּ בְּנֵ֣י הַ/סְּנָאָ֑ה הֵ֣מָּה קֵר֔וּ/הוּ וַֽ/יַּעֲמִ֨ידוּ֙ דַּלְתֹתָ֔י/ו מַנְעוּלָ֖י/ו וּ/בְרִיחָֽי/ו
STATEN

De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senáä; zij zolderden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.

4
וְ/עַל יָדָ֣/ם הֶחֱזִ֗יק מְרֵמ֤וֹת בֶּן אוּרִיָּה֙ בֶּן הַקּ֔וֹץ וְ/עַל יָדָ֣/ם הֶחֱזִ֔יק מְשֻׁלָּ֥ם בֶּן בֶּרֶכְיָ֖ה בֶּן מְשֵׁיזַבְאֵ֑ל וְ/עַל יָדָ֣/ם הֶֽחֱזִ֔יק צָד֖וֹק בֶּֽן בַּעֲנָֽא
STATEN

En aan hun hand verbeterde Merémoth, de zoon van Uría, den zoon van Koz; en aan hun hand verbeterde Mesullam, de zoon van Beréchja, den zoon van Mesezábeël; en aan hun hand verbeterde Zadok, zoon van Báëna.

5
וְ/עַל יָדָ֖/ם הֶחֱזִ֣יקוּ הַ/תְּקוֹעִ֑ים וְ/אַדִּֽירֵי/הֶם֙ לֹא הֵבִ֣יאוּ צַוָּרָ֔/ם בַּ/עֲבֹדַ֖ת אֲדֹנֵי/הֶֽם
STATEN

Voorts aan hun hand verbeterden de Thekoïeten; maar hun voortreffelijken brachten hun hals niet tot den dienst van hun heer.

6
וְ/אֵת֩ שַׁ֨עַר הַיְשָׁנָ֜ה הֶחֱזִ֗יקוּ יֽוֹיָדָע֙ בֶּן פָּסֵ֔חַ וּ/מְשֻׁלָּ֖ם בֶּן בְּסֽוֹדְיָ֑ה הֵ֣מָּה קֵר֔וּ/הוּ וַֽ/יַּעֲמִ֨ידוּ֙ דַּלְתֹתָ֔י/ו וּ/מַנְעֻלָ֖י/ו וּ/בְרִיחָֽי/ו
STATEN

En de Oude poort verbeterden Jójada, de zoon van Paséah, en Mesullam, de zoon van Besódja; deze zolderden zij, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.

7
וְ/עַל יָדָ֨/ם הֶחֱזִ֜יק מְלַטְיָ֣ה הַ/גִּבְעֹנִ֗י וְ/יָדוֹן֙ הַ/מֵּרֹ֣נֹתִ֔י אַנְשֵׁ֥י גִבְע֖וֹן וְ/הַ/מִּצְפָּ֑ה לְ/כִסֵּ֕א פַּחַ֖ת עֵ֥בֶר הַ/נָּהָֽר
STATEN

En aan hun hand verbeterden Melátja, de Gíbeoniet, en Jadon, de Meronothiet, de mannen van Gíbeon en van Mizpa; tot aan den stoel des landvoogds aan deze zijde der rivier.

8
עַל יָד֣/וֹ הֶחֱזִ֗יק עֻזִּיאֵ֤ל בֶּֽן חַרְהֲיָה֙ צֽוֹרְפִ֔ים וְ/עַל יָד֣/וֹ הֶחֱזִ֔יק חֲנַנְיָ֖ה בֶּן הָ/רַקָּחִ֑ים וַ/יַּֽעַזְבוּ֙ יְר֣וּשָׁלִַ֔ם עַ֖ד הַ/חוֹמָ֥ה הָ/רְחָבָֽה
STATEN

Aan zijn hand verbeterde Uzzíël, de zoon van Harhója, een der goudsmeden, en aan zijn hand verbeterde Hanánja, de zoon van een der apothekers; en zij lieten Jeruzalem tot aan den breden muur.

9
וְ/עַל יָדָ֤/ם הֶחֱזִיק֙ רְפָיָ֣ה בֶן ח֔וּר שַׂ֕ר חֲצִ֖י פֶּ֥לֶךְ יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

En aan hun hand verbeterde Refája, de zoon van Hur, overste des halven deels van Jeruzalem.

10
וְ/עַל יָדָ֧/ם הֶחֱזִ֛יק יְדָיָ֥ה בֶן חֲרוּמַ֖ף וְ/נֶ֣גֶד בֵּית֑/וֹ וְ/עַל יָד֣/וֹ הֶחֱזִ֔יק חַטּ֖וּשׁ בֶּן חֲשַׁבְנְיָֽה
STATEN

Voorts aan hun hand verbeterde Jedája, de zoon van Herúmaf, en tegenover zijn huis; en aan zijn hand verbeterde Hattus, de zoon van Hasábneja.

11
מִדָּ֣ה שֵׁנִ֗ית הֶחֱזִיק֙ מַלְכִּיָּ֣ה בֶן חָרִ֔ם וְ/חַשּׁ֖וּב בֶּן פַּחַ֣ת מוֹאָ֑ב וְ/אֵ֖ת מִגְדַּ֥ל הַ/תַּנּוּרִֽים
STATEN

De andere mate verbeterden Malchía, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-Moab; daartoe den Bakoventoren.

12
וְ/עַל יָד֣/וֹ הֶחֱזִ֗יק שַׁלּוּם֙ בֶּן הַלּוֹחֵ֔שׁ שַׂ֕ר חֲצִ֖י פֶּ֣לֶךְ יְרוּשָׁלִָ֑ם ה֖וּא וּ/בְנוֹתָֽי/ו
STATEN

En aan zijn hand verbeterde Sallum, de zoon van Lohes, overste van het andere halve deel van Jeruzalem, hij en zijn dochteren.

13
אֵת֩ שַׁ֨עַר הַ/גַּ֜יְא הֶחֱזִ֣יק חָנוּן֮ וְ/יֹשְׁבֵ֣י זָנוֹחַ֒ הֵ֣מָּה בָנ֔וּ/הוּ וַֽ/יַּעֲמִ֨ידוּ֙ דַּלְתֹתָ֔י/ו מַנְעֻלָ֖י/ו וּ/בְרִיחָ֑י/ו וְ/אֶ֤לֶף אַמָּה֙ בַּ/חוֹמָ֔ה עַ֖ד שַׁ֥עַר הָ/שֲׁפֽוֹת
STATEN

De Dalpoort verbeterden Hanun, en de inwoners van Zanóah; zij bouwden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe duizend ellen aan den muur, tot aan de Mistpoort.

14
וְ/אֵ֣ת שַׁ֣עַר הָ/אַשְׁפּ֗וֹת הֶחֱזִיק֙ מַלְכִּיָּ֣ה בֶן רֵכָ֔ב שַׂ֖ר פֶּ֣לֶךְ בֵּית הַכָּ֑רֶם ה֣וּא יִבְנֶ֔/נּוּ וְ/יַעֲמִיד֙ דַּלְתֹתָ֔י/ו מַנְעֻלָ֖י/ו וּ/בְרִיחָֽי/ו
STATEN

De Mistpoort nu verbeterde Malchía, de zoon van Rechab, overste van het deel Beth-Chérem; hij bouwde ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.

15
וְ/אֵת֩ שַׁ֨עַר הָ/עַ֜יִן הֶ֠חֱזִיק שַׁלּ֣וּן בֶּן כָּל חֹזֶה֮ שַׂ֣ר פֶּ֣לֶךְ הַ/מִּצְפָּה֒ ה֤וּא יִבְנֶ֨/נּוּ֙ וִ/יטַֽלְלֶ֔/נּוּ ו/יעמידו דַּלְתֹתָ֔י/ו מַנְעֻלָ֖י/ו וּ/בְרִיחָ֑י/ו וְ֠/אֵת חוֹמַ֞ת בְּרֵכַ֤ת הַ/שֶּׁ֨לַח֙ לְ/גַן הַ/מֶּ֔לֶךְ וְ/עַד הַֽ/מַּעֲל֔וֹת הַ/יּוֹרְד֖וֹת מֵ/עִ֥יר דָּוִֽיד וְ/יַעֲמִיד֙
STATEN

En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-Hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe den muur des vijvers Schelah bij des konings hof, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad.

16
אַחֲרָ֤י/ו הֶחֱזִיק֙ נְחֶמְיָ֣ה בֶן עַזְבּ֔וּק שַׂ֕ר חֲצִ֖י פֶּ֣לֶךְ בֵּֽית צ֑וּר עַד נֶ֨גֶד֙ קִבְרֵ֣י דָוִ֔יד וְ/עַד הַ/בְּרֵכָה֙ הָ/עֲשׂוּיָ֔ה וְ/עַ֖ד בֵּ֥ית הַ/גִּבֹּרִֽים
STATEN

Na hem verbeterde Nehemía, de zoon van Azbuk, overste van het halve deel van Beth-Zur, tot tegenover Davids graven, en tot aan den gemaakten vijver, en tot aan het huis der helden.

17
אַחֲרָ֛י/ו הֶחֱזִ֥יקוּ הַ/לְוִיִּ֖ם רְח֣וּם בֶּן בָּנִ֑י עַל יָד֣/וֹ הֶחֱזִ֗יק חֲשַׁבְיָ֛ה שַׂר חֲצִי פֶ֥לֶךְ קְעִילָ֖ה לְ/פִלְכּֽ/וֹ
STATEN

Na hem verbeterden de Levieten, Rehum, de zoon van Bani; aan zijn hand verbeterde Hasábja, de overste van het halve deel van Kehíla, in zijn deel.

18
אַחֲרָי/ו֙ הֶחֱזִ֣יקוּ אֲחֵי/הֶ֔ם בַּוַּ֖י בֶּן חֵנָדָ֑ד שַׂ֕ר חֲצִ֖י פֶּ֥לֶךְ קְעִילָֽה
STATEN

Na hem verbeterden hun broederen, Bavai, de zoon van Hénadad, de overste van het andere halve deel van Kehíla.

19
וַ/יְחַזֵּ֨ק עַל יָד֜/וֹ עֵ֧זֶר בֶּן יֵשׁ֛וּעַ שַׂ֥ר הַ/מִּצְפָּ֖ה מִדָּ֣ה שֵׁנִ֑ית מִ/נֶּ֕גֶד עֲלֹ֥ת הַ/נֶּ֖שֶׁק הַ/מִּקְצֹֽעַ
STATEN

Aan zijn hand verbeterde Ezer, de zoon van Jésua, de overste van Mizpa, een andere maat; tegenover den opgang naar het wapenhuis, aan den hoek.

20
אַחֲרָ֨י/ו הֶחֱרָ֧ה הֶחֱזִ֛יק בָּר֥וּךְ בֶּן זבי מִדָּ֣ה שֵׁנִ֑ית מִן הַ֨/מִּקְצ֔וֹעַ עַד פֶּ֨תַח֙ בֵּ֣ית אֶלְיָשִׁ֔יב הַ/כֹּהֵ֖ן הַ/גָּדֽוֹל זַכַּ֖י
STATEN

Na hem verbeterde zeer vuriglijk Baruch, de zoon van Zabbai, een andere maat; van den hoek tot aan de deur van het huis van Eljásib, den hogepriester.

21
אַחֲרָ֣י/ו הֶחֱזִ֗יק מְרֵמ֧וֹת בֶּן אוּרִיָּ֛ה בֶּן הַקּ֖וֹץ מִדָּ֣ה שֵׁנִ֑ית מִ/פֶּ֨תַח֙ בֵּ֣ית אֶלְיָשִׁ֔יב וְ/עַד תַּכְלִ֖ית בֵּ֥ית אֶלְיָשִֽׁיב
STATEN

Na hem verbeterde Merémoth, de zoon van Uría, den zoon van Koz, een andere maat; van de huisdeur van Eljásib af, tot aan het einde van Eljásibs huis.

22
וְ/אַחֲרָ֛י/ו הֶחֱזִ֥יקוּ הַ/כֹּהֲנִ֖ים אַנְשֵׁ֥י הַ/כִּכָּֽר
STATEN

En na hem verbeterden de priesteren, wonende in de vlakke velden.

23
אַחֲרָ֨י/ו הֶחֱזִ֧יק בִּנְיָמִ֛ן וְ/חַשּׁ֖וּב נֶ֣גֶד בֵּיתָ֑/ם אַחֲרָ֣י/ו הֶחֱזִ֗יק עֲזַרְיָ֧ה בֶן מַעֲשֵׂיָ֛ה בֶּן עֲנָֽנְיָ֖ה אֵ֥צֶל בֵּיתֽ/וֹ
STATEN

Daarna verbeterden Benjamin, en Hassub, tegenover hun huis; na hem verbeterde Azárja, de zoon van Maäséja, den zoon van Hanánja, bij zijn huis.

24
אַחֲרָ֣י/ו הֶחֱזִ֗יק בִּנּ֛וּי בֶּן חֵנָדָ֖ד מִדָּ֣ה שֵׁנִ֑ית מִ/בֵּ֣ית עֲזַרְיָ֔ה עַד הַ/מִּקְצ֖וֹעַ וְ/עַד הַ/פִּנָּֽה
STATEN

Na hem verbeterde Binnui, de zoon van Hénadad, een andere maat; van het huis van Azárja tot aan den hoek en tot aan het punt;

25
פָּלָ֣ל בֶּן אוּזַי֮ מִ/נֶּ֣גֶד הַ/מִּקְצוֹעַ֒ וְ/הַ/מִּגְדָּ֗ל הַ/יּוֹצֵא֙ מִ/בֵּ֤ית הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ הָֽ/עֶלְי֔וֹן אֲשֶׁ֖ר לַ/חֲצַ֣ר הַ/מַּטָּרָ֑ה אַחֲרָ֖י/ו פְּדָיָ֥ה בֶן פַּרְעֹֽשׁ
STATEN

Palal, de zoon van Uzai, tegen den hoek, en den hogen toren over, die van des konings huis uitsteekt, die bij den voorhof der gevangenis is; na hem Pedája, de zoon van Paros;

26
וְ/הַ֨/נְּתִינִ֔ים הָי֥וּ יֹשְׁבִ֖ים בָּ/עֹ֑פֶל עַ֠ד נֶ֜גֶד שַׁ֤עַר הַ/מַּ֨יִם֙ לַ/מִּזְרָ֔ח וְ/הַ/מִּגְדָּ֖ל הַ/יּוֹצֵֽא
STATEN

De Nethínim nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en den uitstekenden toren.

27
אַחֲרָ֛י/ו הֶחֱזִ֥יקוּ הַ/תְּקֹעִ֖ים מִדָּ֣ה שֵׁנִ֑ית מִ/נֶּ֜גֶד הַ/מִּגְדָּ֤ל הַ/גָּדוֹל֙ הַ/יּוֹצֵ֔א וְ/עַ֖ד חוֹמַ֥ת הָ/עֹֽפֶל
STATEN

Daarna verbeterden de Thekoïeten een andere maat; tegenover den groten uitstekenden toren, en tot aan den muur van Ofel.

28
מֵ/עַ֣ל שַׁ֣עַר הַ/סּוּסִ֗ים הֶחֱזִ֨יקוּ֙ הַ/כֹּ֣הֲנִ֔ים אִ֖ישׁ לְ/נֶ֥גֶד בֵּיתֽ/וֹ
STATEN

Van boven de Paardenpoort verbeterden de priesteren, een iegelijk tegenover zijn huis.

29
אַחֲרָ֧י/ו הֶחֱזִ֛יק צָד֥וֹק בֶּן אִמֵּ֖ר נֶ֣גֶד בֵּית֑/וֹ וְ/אַחֲרָ֤י/ו הֶחֱזִיק֙ שְׁמַֽעְיָ֣ה בֶן שְׁכַנְיָ֔ה שֹׁמֵ֖ר שַׁ֥עַר הַ/מִּזְרָֽח
STATEN

Daarna verbeterde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. En na hem verbeterde Semája, de zoon van Sechánja, de bewaarder van de Oostpoort.

30
אחר/י הֶחֱזִ֜יק חֲנַנְיָ֣ה בֶן שֶׁלֶמְיָ֗ה וְ/חָנ֧וּן בֶּן צָלָ֛ף הַ/שִּׁשִּׁ֖י מִדָּ֣ה שֵׁנִ֑י אַחֲרָ֣י/ו הֶחֱזִ֗יק מְשֻׁלָּם֙ בֶּן בֶּ֣רֶכְיָ֔ה נֶ֖גֶד נִשְׁכָּתֽ/וֹ אַחֲרָ֨י/ו
STATEN

Na hem verbeterden Hanánja, de zoon van Selémja, en Hanun, de zoon van Zalaf, de zesde, een andere maat. Na hem verbeterde Mesullam, de zoon van Beréchja, tegenover zijn kamer.

31
אחרי הֶחֱזִ֗יק מַלְכִּיָּה֙ בֶּן הַ/צֹּ֣רְפִ֔י עַד בֵּ֥ית הַ/נְּתִינִ֖ים וְ/הָ/רֹכְלִ֑ים נֶ֚גֶד שַׁ֣עַר הַ/מִּפְקָ֔ד וְ/עַ֖ד עֲלִיַּ֥ת הַ/פִּנָּֽה אַחֲרָ֣י/ו
STATEN

Na hem verbeterde Malchía, de zoon eens goudsmids, tot aan het huis der Nethínim en der kruideniers, tegenover de poort van Mifkad, en tot de opperzaal van het punt.

32
וּ/בֵ֨ין עֲלִיַּ֤ת הַ/פִּנָּה֙ לְ/שַׁ֣עַר הַ/צֹּ֔אן הֶחֱזִ֥יקוּ הַ/צֹּרְפִ֖ים וְ/הָ/רֹכְלִֽים
STATEN

En tussen de opperzaal van het punt tot de Schaapspoort toe, verbeterden de goudsmeden en de kruideniers.

33
וַ/יְהִ֞י כַּ/אֲשֶׁ֧ר שָׁמַ֣ע סַנְבַלַּ֗ט כִּֽי אֲנַ֤חְנוּ בוֹנִים֙ אֶת הַ֣/חוֹמָ֔ה וַ/יִּ֣חַר ל֔/וֹ וַ/יִּכְעַ֖ס הַרְבֵּ֑ה וַ/יַּלְעֵ֖ג עַל הַ/יְּהוּדִֽים
34
וַ/יֹּ֣אמֶר לִ/פְנֵ֣י אֶחָ֗י/ו וְ/חֵיל֙ שֹֽׁמְר֔וֹן וַ/יֹּ֕אמֶר מָ֛ה הַ/יְּהוּדִ֥ים הָ/אֲמֵלָלִ֖ים עֹשִׂ֑ים הֲ/יַעַזְב֨וּ לָ/הֶ֤ם הֲ/יִזְבָּ֨חוּ֙ הַ/יְכַלּ֣וּ בַ/יּ֔וֹם הַ/יְחַיּ֧וּ אֶת הָ/אֲבָנִ֛ים מֵ/עֲרֵמ֥וֹת הֶ/עָפָ֖ר וְ/הֵ֥מָּה שְׂרוּפֽוֹת
35
וְ/טוֹבִיָּ֥ה הָ/עַמֹּנִ֖י אֶצְל֑/וֹ וַ/יֹּ֗אמֶר גַּ֚ם אֲשֶׁר הֵ֣ם בּוֹנִ֔ים אִם יַעֲלֶ֣ה שׁוּעָ֔ל וּ/פָרַ֖ץ חוֹמַ֥ת אַבְנֵי/הֶֽם
36
שְׁמַ֤ע אֱלֹהֵ֨י/נוּ֙ כִּֽי הָיִ֣ינוּ בוּזָ֔ה וְ/הָשֵׁ֥ב חֶרְפָּתָ֖/ם אֶל רֹאשָׁ֑/ם וּ/תְנֵ֥/ם לְ/בִזָּ֖ה בְּ/אֶ֥רֶץ שִׁבְיָֽה
37
וְ/אַל תְּכַס֙ עַל עֲוֺנָ֔/ם וְ/חַטָּאתָ֖/ם מִ/לְּ/פָנֶ֣י/ךָ אַל תִּמָּחֶ֑ה כִּ֥י הִכְעִ֖יסוּ לְ/נֶ֥גֶד הַ/בּוֹנִֽים
38
וַ/נִּבְנֶה֙ אֶת הַ֣/חוֹמָ֔ה וַ/תִּקָּשֵׁ֥ר כָּל הַ/חוֹמָ֖ה עַד חֶצְיָ֑/הּ וַ/יְהִ֧י לֵ֦ב לָ/עָ֖ם לַ/עֲשֽׂוֹת