Hoofdstukken (13)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TAHOT i STATEN i KJV i VULGATE i LUTHER i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i YLT i JPS1917 i
וַ/יָּ֡קָם אֶלְיָשִׁיב֩ הַ/כֹּהֵ֨ן הַ/גָּד֜וֹל וְ/אֶחָ֣י/ו הַ/כֹּהֲנִ֗ים וַ/יִּבְנוּ֙ אֶת שַׁ֣עַר הַ/צֹּ֔אן הֵ֣מָּה קִדְּשׁ֔וּ/הוּ וַֽ/יַּעֲמִ֖ידוּ דַּלְתֹתָ֑י/ו וְ/עַד מִגְדַּ֤ל הַ/מֵּאָה֙ קִדְּשׁ֔וּ/הוּ עַ֖ד מִגְדַּ֥ל חֲנַנְאֵֽל־־׃ס
STATEN
En Eljásib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broederen, de priesteren, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan den toren Mea, tot aan den toren Hanáneël.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עַל יָד֥/וֹ בָנ֖וּ אַנְשֵׁ֣י יְרֵח֑וֹ וְ/עַל יָד֣/וֹ בָנָ֔ה זַכּ֖וּר בֶּן אִמְרִֽי־ס־־׃ס
STATEN
En aan zijn hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijn hand Zacchur, de zoon van Imri.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/אֵת֙ שַׁ֣עַר הַ/דָּגִ֔ים בָּנ֖וּ בְּנֵ֣י הַ/סְּנָאָ֑ה הֵ֣מָּה קֵר֔וּ/הוּ וַֽ/יַּעֲמִ֨ידוּ֙ דַּלְתֹתָ֔י/ו מַנְעוּלָ֖י/ו וּ/בְרִיחָֽי/ו׃ס
STATEN
De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senáä; zij zolderden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עַל יָדָ֣/ם הֶחֱזִ֗יק מְרֵמ֤וֹת בֶּן אוּרִיָּה֙ בֶּן הַקּ֔וֹץ וְ/עַל יָדָ֣/ם הֶחֱזִ֔יק מְשֻׁלָּ֥ם בֶּן בֶּרֶכְיָ֖ה בֶּן מְשֵׁיזַבְאֵ֑ל וְ/עַל יָדָ֣/ם הֶֽחֱזִ֔יק צָד֖וֹק בֶּֽן בַּעֲנָֽא־־־ס־־־ס־־׃ס
STATEN
En aan hun hand verbeterde Merémoth, de zoon van Uría, den zoon van Koz; en aan hun hand verbeterde Mesullam, de zoon van Beréchja, den zoon van Mesezábeël; en aan hun hand verbeterde Zadok, zoon van Báëna.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עַל יָדָ֖/ם הֶחֱזִ֣יקוּ הַ/תְּקוֹעִ֑ים וְ/אַדִּֽירֵי/הֶם֙ לֹא הֵבִ֣יאוּ צַוָּרָ֔/ם בַּ/עֲבֹדַ֖ת אֲדֹנֵי/הֶֽם־־׃ס
STATEN
Voorts aan hun hand verbeterden de Thekoïeten; maar hun voortreffelijken brachten hun hals niet tot den dienst van hun heer.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/אֵת֩ שַׁ֨עַר הַיְשָׁנָ֜ה הֶחֱזִ֗יקוּ יֽוֹיָדָע֙ בֶּן פָּסֵ֔חַ וּ/מְשֻׁלָּ֖ם בֶּן בְּסֽוֹדְיָ֑ה הֵ֣מָּה קֵר֔וּ/הוּ וַֽ/יַּעֲמִ֨ידוּ֙ דַּלְתֹתָ֔י/ו וּ/מַנְעֻלָ֖י/ו וּ/בְרִיחָֽי/ו־־׃ס
STATEN
En de Oude poort verbeterden Jójada, de zoon van Paséah, en Mesullam, de zoon van Besódja; deze zolderden zij, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עַל יָדָ֨/ם הֶחֱזִ֜יק מְלַטְיָ֣ה הַ/גִּבְעֹנִ֗י וְ/יָדוֹן֙ הַ/מֵּרֹ֣נֹתִ֔י אַנְשֵׁ֥י גִבְע֖וֹן וְ/הַ/מִּצְפָּ֑ה לְ/כִסֵּ֕א פַּחַ֖ת עֵ֥בֶר הַ/נָּהָֽר־׃ס
STATEN
En aan hun hand verbeterden Melátja, de Gíbeoniet, en Jadon, de Meronothiet, de mannen van Gíbeon en van Mizpa; tot aan den stoel des landvoogds aan deze zijde der rivier.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
עַל יָד֣/וֹ הֶחֱזִ֗יק עֻזִּיאֵ֤ל בֶּֽן חַרְהֲיָה֙ צֽוֹרְפִ֔ים וְ/עַל יָד֣/וֹ הֶחֱזִ֔יק חֲנַנְיָ֖ה בֶּן הָ/רַקָּחִ֑ים וַ/יַּֽעַזְבוּ֙ יְר֣וּשָׁלִַ֔ם עַ֖ד הַ/חוֹמָ֥ה הָ/רְחָבָֽה־־ס־־׃ס
STATEN
Aan zijn hand verbeterde Uzzíël, de zoon van Harhója, een der goudsmeden, en aan zijn hand verbeterde Hanánja, de zoon van een der apothekers; en zij lieten Jeruzalem tot aan den breden muur.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עַל יָדָ֤/ם הֶחֱזִיק֙ רְפָיָ֣ה בֶן ח֔וּר שַׂ֕ר חֲצִ֖י פֶּ֥לֶךְ יְרוּשָׁלִָֽם־־׃ס
STATEN
En aan hun hand verbeterde Refája, de zoon van Hur, overste des halven deels van Jeruzalem.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עַל יָדָ֧/ם הֶחֱזִ֛יק יְדָיָ֥ה בֶן חֲרוּמַ֖ף וְ/נֶ֣גֶד בֵּית֑/וֹ וְ/עַל יָד֣/וֹ הֶחֱזִ֔יק חַטּ֖וּשׁ בֶּן חֲשַׁבְנְיָֽה־־ס־־׃
STATEN
Voorts aan hun hand verbeterde Jedája, de zoon van Herúmaf, en tegenover zijn huis; en aan zijn hand verbeterde Hattus, de zoon van Hasábneja.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
מִדָּ֣ה שֵׁנִ֗ית הֶחֱזִיק֙ מַלְכִּיָּ֣ה בֶן חָרִ֔ם וְ/חַשּׁ֖וּב בֶּן פַּחַ֣ת מוֹאָ֑ב וְ/אֵ֖ת מִגְדַּ֥ל הַ/תַּנּוּרִֽים־־׃ס
STATEN
De andere mate verbeterden Malchía, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-Moab; daartoe den Bakoventoren.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/עַל יָד֣/וֹ הֶחֱזִ֗יק שַׁלּוּם֙ בֶּן הַלּוֹחֵ֔שׁ שַׂ֕ר חֲצִ֖י פֶּ֣לֶךְ יְרוּשָׁלִָ֑ם ה֖וּא וּ/בְנוֹתָֽי/ו־־׃ס
STATEN
En aan zijn hand verbeterde Sallum, de zoon van Lohes, overste van het andere halve deel van Jeruzalem, hij en zijn dochteren.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 2 ← → navigeer Hoofdstuk 4 →