Ga naar inhoud
KETUVIM

Nehemia 9

נְחֶמְיָה
Hoofdstukken (13)← → toetsen
12345678910111213
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וּ/בְ/יוֹם֩ עֶשְׂרִ֨ים וְ/אַרְבָּעָ֜ה לַ/חֹ֣דֶשׁ הַ/זֶּ֗ה נֶאֶסְפ֤וּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵל֙ בְּ/צ֣וֹם וּ/בְ/שַׂקִּ֔ים וַ/אֲדָמָ֖ה עֲלֵי/הֶֽם־׃
STATEN

Voorts op den vier en twintigsten dag dezer maand verzamelden zich de kinderen Israëls met vasten en met zakken, en aarde was op hen.

2
וַ/יִּבָּֽדְלוּ֙ זֶ֣רַע יִשְׂרָאֵ֔ל מִ/כֹּ֖ל בְּנֵ֣י נֵכָ֑ר וַ/יַּעַמְד֗וּ וַ/יִּתְוַדּוּ֙ עַל חַטֹּ֣אתֵי/הֶ֔ם וַ/עֲוֺנ֖וֹת אֲבֹתֵי/הֶֽם־׃
STATEN

En het zaad Israëls scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en hunner vaderen ongerechtigheden.

3
וַ/יָּק֨וּמוּ֙ עַל עָמְדָ֔/ם וַֽ/יִּקְרְא֗וּ בְּ/סֵ֨פֶר תּוֹרַ֧ת יְהוָ֛ה אֱלֹהֵי/הֶ֖ם רְבִעִ֣ית הַ/יּ֑וֹם וּ/רְבִעִית֙ מִתְוַדִּ֣ים וּ/מִֽשְׁתַּחֲוִ֔ים לַ/יהוָ֖ה אֱלֹהֵי/הֶֽם־׃פ
STATEN

Want als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo lazen zij in het wetboek des HEEREN, huns Gods, een vierendeel van den dag; en op een ander vierendeel deden zij belijdenis, en aanbaden den HEERE, hun God.

4
וַ/יָּ֜קָם עַֽל מַֽעֲלֵ֣ה הַ/לְוִיִּ֗ם יֵשׁ֨וּעַ וּ/בָנִ֜י קַדְמִיאֵ֧ל שְׁבַנְיָ֛ה בֻּנִּ֥י שֵׁרֵבְיָ֖ה בָּנִ֣י כְנָ֑נִי וַֽ/יִּזְעֲקוּ֙ בְּ/ק֣וֹל גָּד֔וֹל אֶל יְהוָ֖ה אֱלֹהֵי/הֶֽם־־׃
STATEN

Jésua nu, en Bani, Kadmiël, Sebánja, Bunni, Sérebja, Bani en Chenáni, stonden op het hoge gestoelte der Levieten, en riepen met luider stem tot den HEERE, hun God;

5
וַ/יֹּאמְר֣וּ הַ/לְוִיִּ֡ם יֵשׁ֣וּעַ וְ֠/קַדְמִיאֵל בָּנִ֨י חֲשַׁבְנְיָ֜ה שֵׁרֵֽבְיָ֤ה הֽוֹדִיָּה֙ שְׁבַנְיָ֣ה פְתַֽחְיָ֔ה ק֗וּמוּ בָּרֲכוּ֙ אֶת יְהוָ֣ה אֱלֹֽהֵי/כֶ֔ם מִן הָ/עוֹלָ֖ם עַד הָ/עוֹלָ֑ם וִ/יבָֽרְכוּ֙ שֵׁ֣ם כְּבוֹדֶ֔/ךָ וּ/מְרוֹמַ֥ם עַל כָּל בְּרָכָ֖ה וּ/תְהִלָּֽה־־־־־׃
STATEN

En de Levieten, Jésua, en Kadmiël, Bani, Hasábneja; Sérebja, Hodía, Sebánja, Petáhja, zeiden: Staat op, looft den HEERE, uw God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en men love den Naam Uwer heerlijkheid, die verhoogd is boven allen lof en prijs!

6
אַתָּה ה֣וּא יְהוָה֮ לְ/בַדֶּ/ךָ֒ את עָשִׂ֡יתָ אֶֽת הַ/שָּׁמַיִם֩ שְׁמֵ֨י הַ/שָּׁמַ֜יִם וְ/כָל צְבָאָ֗/ם הָ/אָ֜רֶץ וְ/כָל אֲשֶׁ֤ר עָלֶ֨י/הָ֙ הַ/יַּמִּים֙ וְ/כָל אֲשֶׁ֣ר בָּ/הֶ֔ם וְ/אַתָּ֖ה מְחַיֶּ֣ה אֶת כֻּלָּ֑/ם וּ/צְבָ֥א הַ/שָּׁמַ֖יִם לְ/ךָ֥ מִשְׁתַּחֲוִֽים־־־־־־׃ אַתָּ֣ה
STATEN

Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U.

7
אַתָּה הוּא֙ יְהוָ֣ה הָ/אֱלֹהִ֔ים אֲשֶׁ֤ר בָּחַ֨רְתָּ֙ בְּ/אַבְרָ֔ם וְ/הוֹצֵאת֖/וֹ מֵ/א֣וּר כַּשְׂדִּ֑ים וְ/שַׂ֥מְתָּ שְּׁמ֖/וֹ אַבְרָהָֽם־׃
STATEN

Gij zijt die HEERE, de God, Die Abram hebt verkoren, en hem uit Ur der Chaldeeën uitgevoerd; en Gij hebt zijn naam gesteld Abraham.

8
וּ/מָצָ֣אתָ אֶת לְבָב/וֹ֮ נֶאֱמָ֣ן לְ/פָנֶי/ךָ֒ וְ/כָר֨וֹת עִמּ֜/וֹ הַ/בְּרִ֗ית לָ/תֵ֡ת אֶת אֶרֶץ֩ הַ/כְּנַעֲנִ֨י הַ/חִתִּ֜י הָ/אֱמֹרִ֧י וְ/הַ/פְּרִזִּ֛י וְ/הַ/יְבוּסִ֥י וְ/הַ/גִּרְגָּשִׁ֖י לָ/תֵ֣ת לְ/זַרְע֑/וֹ וַ/תָּ֨קֶם֙ אֶת דְּבָרֶ֔י/ךָ כִּ֥י צַדִּ֖יק אָֽתָּה־־־׃
STATEN

En Gij hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat Gij zoudt geven het land der Kanaänieten, der Hethieten, der Amorieten, en der Ferezieten, en der Jebusieten, en der Girgasieten, dat Gij het zijn zade zoudt geven; en Gij hebt Uw woorden bevestigd, omdat Gij rechtvaardig zijt.

9
וַ/תֵּ֛רֶא אֶת עֳנִ֥י אֲבֹתֵ֖י/נוּ בְּ/מִצְרָ֑יִם וְ/אֶת זַעֲקָתָ֥/ם שָׁמַ֖עְתָּ עַל יַם סֽוּף־־־־׃
STATEN

En Gij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte, en Gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee;

10
וַ֠/תִּתֵּן אֹתֹ֨ת וּ/מֹֽפְתִ֜ים בְּ/פַרְעֹ֤ה וּ/בְ/כָל עֲבָדָי/ו֙ וּ/בְ/כָל עַ֣ם אַרְצ֔/וֹ כִּ֣י יָדַ֔עְתָּ כִּ֥י הֵזִ֖ידוּ עֲלֵי/הֶ֑ם וַ/תַּֽעַשׂ לְ/ךָ֥ שֵׁ֖ם כְּ/הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה־־־׃
STATEN

En Gij hebt tekenen en wonderen gedaan aan Faraö, en aan al zijn knechten, en aan al het volk zijns lands; want Gij wist, dat zij trotselijk tegen hen handelden; en Gij hebt U een Naam gemaakt, als het is te dezen dage.

11
וְ/הַ/יָּם֙ בָּקַ֣עְתָּ לִ/פְנֵי/הֶ֔ם וַ/יַּֽעַבְר֥וּ בְ/תוֹךְ הַ/יָּ֖ם בַּ/יַּבָּשָׁ֑ה וְֽ/אֶת רֹ֨דְפֵי/הֶ֜ם הִשְׁלַ֧כְתָּ בִ/מְצוֹלֹ֛ת כְּמוֹ אֶ֖בֶן בְּ/מַ֥יִם עַזִּֽים־־־׃
STATEN

En Gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden der zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt Gij in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren.

12
וּ/בְ/עַמּ֣וּד עָנָ֔ן הִנְחִיתָ֖/ם יוֹמָ֑ם וּ/בְ/עַמּ֥וּד אֵשׁ֙ לַ֔יְלָה לְ/הָאִ֣יר לָ/הֶ֔ם אֶת הַ/דֶּ֖רֶךְ אֲשֶׁ֥ר יֵֽלְכוּ בָֽ/הּ־־׃
STATEN

En Gij hebt ze des daags geleid met een wolkkolom, en des nachts met een vuurkolom, om hen te lichten op den weg, waarin zij zouden wandelen.

Op De Naamdragers

Blogs over Nehemia 9

Nog geen artikelen die specifiek naar Nehemia 9 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →