Ga naar inhoud
KETUVIM

Nehemia 8

נְחֶמְיָה
Hoofdstukken (13)← → toetsen
12345678910111213
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יֵּאָסְפ֤וּ כָל הָ/עָם֙ כְּ/אִ֣ישׁ אֶחָ֔ד אֶל הָ֣/רְח֔וֹב אֲשֶׁ֖ר לִ/פְנֵ֣י שַֽׁעַר הַ/מָּ֑יִם וַ/יֹּֽאמְרוּ֙ לְ/עֶזְרָ֣א הַ/סֹּפֵ֔ר לְ/הָבִ֗יא אֶת סֵ֨פֶר֙ תּוֹרַ֣ת מֹשֶׁ֔ה אֲשֶׁר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה אֶת יִשְׂרָאֵֽל־־־־־־׃
STATEN

Als nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israëls in hun steden waren,

2
וַ/יָּבִ֣יא עֶזְרָ֣א הַ֠/כֹּהֵן אֶֽת הַ/תּוֹרָ֞ה לִ/פְנֵ֤י הַ/קָּהָל֙ מֵ/אִ֣ישׁ וְ/עַד אִשָּׁ֔ה וְ/כֹ֖ל מֵבִ֣ין לִ/שְׁמֹ֑עַ בְּ/י֥וֹם אֶחָ֖ד לַ/חֹ֥דֶשׁ הַ/שְּׁבִיעִֽי־־׃
STATEN

Zo verzamelde zich al het volk als een enig man op de straat voor de Waterpoort; en zij zeiden tot Ezra, den schriftgeleerde, dat hij het boek der wet van Mozes zou halen, die de HEERE Israël geboden had.

3
וַ/יִּקְרָא ב/וֹ֩ לִ/פְנֵ֨י הָ/רְח֜וֹב אֲשֶׁ֣ר לִ/פְנֵ֣י שַֽׁעַר הַ/מַּ֗יִם מִן הָ/אוֹר֙ עַד מַחֲצִ֣ית הַ/יּ֔וֹם נֶ֛גֶד הָ/אֲנָשִׁ֥ים וְ/הַ/נָּשִׁ֖ים וְ/הַ/מְּבִינִ֑ים וְ/אָזְנֵ֥י כָל הָ/עָ֖ם אֶל סֵ֥פֶר הַ/תּוֹרָֽה־׀־־־־־׃
STATEN

En Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, beiden mannen en vrouwen, en allen, die verstandig waren om te horen, op den eersten dag der zevende maand.

4
וַֽ/יַּעֲמֹ֞ד עֶזְרָ֣א הַ/סֹּפֵ֗ר עַֽל מִגְדַּל עֵץ֮ אֲשֶׁ֣ר עָשׂ֣וּ לַ/דָּבָר֒ וַ/יַּֽעֲמֹ֣ד אֶצְל֡/וֹ מַתִּתְיָ֡ה וְ/שֶׁ֡מַע וַ֠/עֲנָיָה וְ/אוּרִיָּ֧ה וְ/חִלְקִיָּ֛ה וּ/מַעֲשֵׂיָ֖ה עַל יְמִינ֑/וֹ וּ/מִ/שְּׂמֹאל֗/וֹ פְּ֠דָיָה וּ/מִֽישָׁאֵ֧ל וּ/מַלְכִּיָּ֛ה וְ/חָשֻׁ֥ם וְ/חַשְׁבַּדָּ֖נָה זְכַרְיָ֥ה מְשֻׁלָּֽם־־־׃פ
STATEN

En hij las daarin voor de straat, die voor de Waterpoort is, van het morgenlicht aan tot op den middag, voor de mannen en vrouwen, en de verstandigen; en de oren des gansen volks waren naar het wetboek.

5
וַ/יִּפְתַּ֨ח עֶזְרָ֤א הַ/סֵּ֨פֶר֙ לְ/עֵינֵ֣י כָל הָ/עָ֔ם כִּֽי מֵ/עַ֥ל כָּל הָ/עָ֖ם הָיָ֑ה וּ/כְ/פִתְח֖/וֹ עָֽמְד֥וּ כָל הָ/עָֽם־־־־׃
STATEN

En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hogen houten stoel, dien zij tot die zaak gemaakt hadden, en nevens hem stond Mattíthja, en Sema, en Anája, en Uría, en Hilkía, en Maäséja, aan zijn rechterhand; en aan zijn linkerhand Pedája, en Mísaël, en Malchía, en Hasum, en Hasbaddána, Zachárja en Mesullam.

6
וַ/יְבָ֣רֶךְ עֶזְרָ֔א אֶת יְהוָ֥ה הָ/אֱלֹהִ֖ים הַ/גָּד֑וֹל וַ/יַּֽעֲנ֨וּ כָל הָ/עָ֜ם אָמֵ֤ן אָמֵן֙ בְּ/מֹ֣עַל יְדֵי/הֶ֔ם וַ/יִּקְּד֧וּ וַ/יִּשְׁתַּחֲוֻּ֛ לַ/יהוָ֖ה אַפַּ֥יִם אָֽרְצָ/ה־־׀׃
STATEN

En Ezra opende het boek voor de ogen des gansen volks, want hij was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk.

7
וְ/יֵשׁ֡וּעַ וּ/בָנִ֡י וְ/שֵׁרֵ֥בְיָ֣ה יָמִ֡ין עַקּ֡וּב שַׁבְּתַ֣י הֽוֹדִיָּ֡ה מַעֲשֵׂיָ֡ה קְלִיטָ֣א עֲזַרְיָה֩ יוֹזָבָ֨ד חָנָ֤ן פְּלָאיָה֙ וְ/הַ/לְוִיִּ֔ם מְבִינִ֥ים אֶת הָ/עָ֖ם לַ/תּוֹרָ֑ה וְ/הָ/עָ֖ם עַל עָמְדָֽ/ם׀׀־־׃
STATEN

En Ezra loofde den HEERE, den groten God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden den HEERE, met de aangezichten ter aarde.

8
וַֽ/יִּקְרְא֥וּ בַ/סֵּ֛פֶר בְּ/תוֹרַ֥ת הָ/אֱלֹהִ֖ים מְפֹרָ֑שׁ וְ/שׂ֣וֹם שֶׂ֔כֶל וַ/יָּבִ֖ינוּ בַּ/מִּקְרָֽא׃ס
STATEN

Jésua nu, en Bani, en Serébja, Jamin, Akkub, Sábbethai, Hodía, Maäséja, Kelíta, Azárja, Józabad, Hanan, Pelája, en de Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats.

9
וַ/יֹּ֣אמֶר נְחֶמְיָ֣ה ה֣וּא הַ/תִּרְשָׁ֡תָא וְ/עֶזְרָ֣א הַ/כֹּהֵ֣ן הַ/סֹּפֵ֡ר וְ/הַ/לְוִיִּם֩ הַ/מְּבִינִ֨ים אֶת הָ/עָ֜ם לְ/כָל הָ/עָ֗ם הַ/יּ֤וֹם קָדֹֽשׁ הוּא֙ לַ/יהוָ֣ה אֱלֹהֵי/כֶ֔ם אַל תִּֽתְאַבְּל֖וּ וְ/אַל תִּבְכּ֑וּ כִּ֤י בוֹכִים֙ כָּל הָ/עָ֔ם כְּ/שָׁמְעָ֖/ם אֶת דִּבְרֵ֥י הַ/תּוֹרָֽה׀־־־־־־־׃
STATEN

En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en den zin verklarende, zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen.

10
וַ/יֹּ֣אמֶר לָ/הֶ֡ם לְכוּ֩ אִכְל֨וּ מַשְׁמַנִּ֜ים וּ/שְׁת֣וּ מַֽמְתַקִּ֗ים וְ/שִׁלְח֤וּ מָנוֹת֙ לְ/אֵ֣ין נָכ֣וֹן ל֔/וֹ כִּֽי קָד֥וֹשׁ הַ/יּ֖וֹם לַ/אֲדֹנֵ֑י/נוּ וְ/אַל תֵּ֣עָצֵ֔בוּ כִּֽי חֶדְוַ֥ת יְהוָ֖ה הִ֥יא מָֽעֻזְּ/כֶֽם־־־׃
STATEN

En Nehemía (dezelve is Hattirsátha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den HEERE, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden.

11
וְ/הַ/לְוִיִּ֞ם מַחְשִׁ֤ים לְ/כָל הָ/עָם֙ לֵ/אמֹ֣ר הַ֔סּוּ כִּ֥י הַ/יּ֖וֹם קָדֹ֑שׁ וְ/אַל תֵּעָצֵֽבוּ־־׃
STATEN

Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen dengenen, voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen Heere heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap des HEEREN, die is uw sterkte.

12
וַ/יֵּלְכ֨וּ כָל הָ/עָ֜ם לֶ/אֱכֹ֤ל וְ/לִ/שְׁתּוֹת֙ וּ/לְ/שַׁלַּ֣ח מָנ֔וֹת וְ/לַ/עֲשׂ֖וֹת שִׂמְחָ֣ה גְדוֹלָ֑ה כִּ֤י הֵבִ֨ינוּ֙ בַּ/דְּבָרִ֔ים אֲשֶׁ֥ר הוֹדִ֖יעוּ לָ/הֶֽם־׃ס
STATEN

En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet.

Op De Naamdragers

Blogs over Nehemia 8

Nog geen artikelen die specifiek naar Nehemia 8 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →