Ga naar inhoud
KETUVIM

Nehemia 6

נְחֶמְיָה
Hoofdstukken (13)← → toetsen
12345678910111213
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֣י כַ/אֲשֶׁ֣ר נִשְׁמַ֣ע לְ/סַנְבַלַּ֣ט וְ֠/טוֹבִיָּה וּ/לְ/גֶ֨שֶׁם הָֽ/עַרְבִ֜י וּ/לְ/יֶ֣תֶר אֹֽיְבֵ֗י/נוּ כִּ֤י בָנִ֨יתִי֙ אֶת הַ֣/חוֹמָ֔ה וְ/לֹא נ֥וֹתַר בָּ֖/הּ פָּ֑רֶץ גַּ֚ם עַד הָ/עֵ֣ת הַ/הִ֔יא דְּלָת֖וֹת לֹא הֶעֱמַ֥דְתִּי בַ/שְּׁעָרִֽים־־־־׃
STATEN

Voorts is het geschied, als van Sanballat, en Tobía, en van Gesem, den Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik den muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot dezen tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten;

2
וַ/יִּשְׁלַ֨ח סַנְבַלַּ֤ט וְ/גֶ֨שֶׁם֙ אֵלַ֣/י לֵ/אמֹ֔ר לְכָ֞/ה וְ/נִֽוָּעֲדָ֥ה יַחְדָּ֛ו בַּ/כְּפִירִ֖ים בְּ/בִקְעַ֣ת אוֹנ֑וֹ וְ/הֵ֨מָּה֙ חֹֽשְׁבִ֔ים לַ/עֲשׂ֥וֹת לִ֖/י רָעָֽה׃
STATEN

Zo zond Sanballat, en Gesem, tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons te zamen vergaderen in de dorpen, in het dal Ono. Maar zij dachten mij kwaad te doen.

3
וָ/אֶשְׁלְחָ֨/ה עֲלֵי/הֶ֤ם מַלְאָכִים֙ לֵ/אמֹ֔ר מְלָאכָ֤ה גְדוֹלָה֙ אֲנִ֣י עֹשֶׂ֔ה וְ/לֹ֥א אוּכַ֖ל לָ/רֶ֑דֶת לָ֣/מָּה תִשְׁבַּ֤ת הַ/מְּלָאכָה֙ כַּ/אֲשֶׁ֣ר אַרְפֶּ֔/הָ וְ/יָרַדְתִּ֖י אֲלֵי/כֶֽם׃
STATEN

En ik zond boden tot hen, om te zeggen: Ik doe een groot werk, zodat ik niet zal kunnen afkomen; waarom zou dit werk ophouden, terwijl ik het zou nalaten, en tot ulieden afkomen?

4
וַ/יִּשְׁלְח֥וּ אֵלַ֛/י כַּ/דָּבָ֥ר הַ/זֶּ֖ה אַרְבַּ֣ע פְּעָמִ֑ים וָ/אָשִׁ֥יב אוֹתָ֖/ם כַּ/דָּבָ֥ר הַ/זֶּֽה׃ס
STATEN

Zij zonden nu wel viermaal tot mij, op dezelfde wijze. En ik antwoordde hun op dezelfde wijze.

5
וַ/יִּשְׁלַח֩ אֵלַ֨/י סַנְבַלַּ֜ט כַּ/דָּבָ֥ר הַ/זֶּ֛ה פַּ֥עַם חֲמִישִׁ֖ית אֶֽת נַעֲר֑/וֹ וְ/אִגֶּ֥רֶת פְּתוּחָ֖ה בְּ/יָדֽ/וֹ־׃
STATEN

Toen zond Sanballat tot mij op dezelfde wijze, ten vijfden male, zijn jongen, met een open brief in zijn hand.

6
כָּת֣וּב בָּ֗/הּ בַּ/גּוֹיִ֤ם נִשְׁמָע֙ וְ/גַשְׁמ֣וּ אֹמֵ֔ר אַתָּ֤ה וְ/הַ/יְּהוּדִים֙ חֹשְׁבִ֣ים לִ/מְר֔וֹד עַל כֵּ֛ן אַתָּ֥ה בוֹנֶ֖ה הַ/חוֹמָ֑ה וְ/אַתָּ֗ה הֹוֶ֤ה לָ/הֶם֙ לְ/מֶ֔לֶךְ כַּ/דְּבָרִ֖ים הָ/אֵֽלֶּה־׃
STATEN

Daarin was geschreven: Het is onder de volken gehoord, en Gasmu zegt: Gij en de Joden denkt te rebelleren, daarom bouwt gij den muur, en gij zult hun ten koning zijn; naar dat deze zaken zijn.

7
וְ/גַם נְבִיאִ֡ים הֶעֱמַ֣דְתָּ לִ/קְרֹא֩ עָלֶ֨י/ךָ בִֽ/ירוּשָׁלִַ֜ם לֵ/אמֹ֗ר מֶ֚לֶךְ בִּֽ/יהוּדָ֔ה וְ/עַתָּה֙ יִשָּׁמַ֣ע לַ/מֶּ֔לֶךְ כַּ/דְּבָרִ֣ים הָ/אֵ֑לֶּה וְ/עַתָּ֣ה לְכָ֔/ה וְ/נִֽוָּעֲצָ֖ה יַחְדָּֽו־׃ס
STATEN

Dat gij ook profeten hebt besteld, om van u te Jeruzalem uit te roepen, zeggende: Hij is koning in Juda. Nu zal het van den koning gehoord worden, naar dat deze zaken zijn; kom dan nu, en laat ons te zamen raadslaan.

8
וָ/אֶשְׁלְחָ֤/ה אֵלָי/ו֙ לֵ/אמֹ֔ר לֹ֤א נִֽהְיָה֙ כַּ/דְּבָרִ֣ים הָ/אֵ֔לֶּה אֲשֶׁ֖ר אַתָּ֣ה אוֹמֵ֑ר כִּ֥י מִֽ/לִּבְּ/ךָ֖ אַתָּ֥ה בוֹדָֽא/ם׃
STATEN

Doch ik zond tot hem, om te zeggen: Er is van al zulke zaken, als gij zegt, niets geschied; maar gij versiert ze uit uw hart.

9
כִּ֣י כֻלָּ֗/ם מְיָֽרְאִ֤ים אוֹתָ֨/נוּ֙ לֵ/אמֹ֔ר יִרְפּ֧וּ יְדֵי/הֶ֛ם מִן הַ/מְּלָאכָ֖ה וְ/לֹ֣א תֵעָשֶׂ֑ה וְ/עַתָּ֖ה חַזֵּ֥ק אֶת יָדָֽ/י־־׃
STATEN

Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan, sterk mijn handen!

10
וַ/אֲנִי בָ֗אתִי בֵּ֣ית שְֽׁמַֽעְיָ֧ה בֶן דְּלָיָ֛ה בֶּן מְהֵֽיטַבְאֵ֖ל וְ/ה֣וּא עָצ֑וּר וַ/יֹּ֡אמֶר נִוָּעֵד֩ אֶל בֵּ֨ית הָ/אֱלֹהִ֜ים אֶל תּ֣וֹךְ הַֽ/הֵיכָ֗ל וְ/נִסְגְּרָה֙ דַּלְת֣וֹת הַ/הֵיכָ֔ל כִּ֚י בָּאִ֣ים לְ/הָרְגֶ֔/ךָ וְ/לַ֖יְלָה בָּאִ֥ים לְ/הָרְגֶֽ/ךָ־־־־־׃
STATEN

Als ik nu kwam in het huis van Semája, den zoon van Delája, den zoon van Mehetábeël (hij nu was besloten), zo zeide hij: Laat ons samenkomen in het huis Gods, in het midden des tempels, en laat ons de deuren des tempels toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden.

11
וָ/אֹמְרָ֗/ה הַ/אִ֤ישׁ כָּמ֨וֹ/נִי֙ יִבְרָ֔ח וּ/מִ֥י כָמ֛וֹ/נִי אֲשֶׁר יָב֥וֹא אֶל הַ/הֵיכָ֖ל וָ/חָ֑י לֹ֖א אָבֽוֹא־־׃
STATEN

Maar ik zeide: Zou een man, als ik, vlieden? En wie is er, zijnde als ik, die in den tempel zou gaan, dat hij levend bleve? Ik zal er niet ingaan.

12
וָ/אַכִּ֕ירָ/ה וְ/הִנֵּ֥ה לֹֽא אֱלֹהִ֖ים שְׁלָח֑/וֹ כִּ֤י הַ/נְּבוּאָה֙ דִּבֶּ֣ר עָלַ֔/י וְ/טוֹבִיָּ֥ה וְ/סַנְבַלַּ֖ט שְׂכָרֽ/וֹ־׃
STATEN

Want ik merkte, en ziet, God had hem niet gezonden; maar hij sprak deze profetie tegen mij, omdat Tobía en Sanballat hem gehuurd hadden.

Op De Naamdragers

Blogs over Nehemia 6

Nog geen artikelen die specifiek naar Nehemia 6 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →