Ga naar inhoud
KETUVIM

Nehemia 7

נְחֶמְיָה
Hoofdstukken (13)← → toetsen
12345678910111213
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֗י כַּ/אֲשֶׁ֤ר נִבְנְתָה֙ הַ/חוֹמָ֔ה וָ/אַעֲמִ֖יד הַ/דְּלָת֑וֹת וַ/יִּפָּֽקְד֛וּ הַ/שּׁוֹעֲרִ֥ים וְ/הַ/מְשֹׁרְרִ֖ים וְ/הַ/לְוִיִּֽם׃
STATEN

Voorts geschiedde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprichtte, en de poortiers, en de zangers, en de Levieten werden besteld.

2
וָ/אֲצַוֶּ֞ה אֶת חֲנָ֣נִי אָחִ֗/י וְ/אֶת חֲנַנְיָ֛ה שַׂ֥ר הַ/בִּירָ֖ה עַל יְרוּשָׁלִָ֑ם כִּי הוּא֙ כְּ/אִ֣ישׁ אֱמֶ֔ת וְ/יָרֵ֥א אֶת הָ/אֱלֹהִ֖ים מֵ/רַבִּֽים־־־־־׃
STATEN

En ik gaf bevel aan mijn broeder Hanáni, en aan Hanánja, den overste van den burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen.

3
ו/יאמר לָ/הֶ֗ם לֹ֣א יִפָּֽתְח֞וּ שַׁעֲרֵ֤י יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ עַד חֹ֣ם הַ/שֶּׁ֔מֶשׁ וְ/עַ֨ד הֵ֥ם עֹמְדִ֛ים יָגִ֥יפוּ הַ/דְּלָת֖וֹת וֶ/אֱחֹ֑זוּ וְ/הַעֲמֵ֗יד מִשְׁמְרוֹת֙ יֹשְׁבֵ֣י יְרוּשָׁלִַ֔ם אִ֚ישׁ בְּ/מִשְׁמָר֔/וֹ וְ/אִ֖ישׁ נֶ֥גֶד בֵּיתֽ/וֹ וָ/אֹמַ֣ר־׃
STATEN

En ik zeide tot hen: Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden, totdat de zon heet wordt, en terwijl zij daarbij staan, laat hen de deuren sluiten, betast gij ze dan; en dat men wachten zette, inwoners van Jeruzalem, een iegelijk op zijn wacht, en een iegelijk tegenover zijn huis.

4
וְ/הָ/עִ֞יר רַחֲבַ֤ת יָדַ֨יִם֙ וּ/גְדוֹלָ֔ה וְ/הָ/עָ֥ם מְעַ֖ט בְּ/תוֹכָ֑/הּ וְ/אֵ֥ין בָּתִּ֖ים בְּנוּיִֽם׃
STATEN

De stad nu was wijd van ruimte en groot; doch des volks was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd.

5
וַ/יִּתֵּ֤ן אֱלֹהַ/י֙ אֶל לִבִּ֔/י וָ/אֶקְבְּצָ֞/ה אֶת הַ/חֹרִ֧ים וְ/אֶת הַ/סְּגָנִ֛ים וְ/אֶת הָ/עָ֖ם לְ/הִתְיַחֵ֑שׂ וָֽ/אֶמְצָ֗א סֵ֤פֶר הַ/יַּ֨חַשׂ֙ הָ/עוֹלִ֣ים בָּ/רִאשׁוֹנָ֔ה וָ/אֶמְצָ֖א כָּת֥וּב בּֽ/וֹ־־־־׃פ
STATEN

Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:

6
אֵ֣לֶּה בְּנֵ֣י הַ/מְּדִינָ֗ה הָ/עֹלִים֙ מִ/שְּׁבִ֣י הַ/גּוֹלָ֔ה אֲשֶׁ֣ר הֶגְלָ֔ה נְבוּכַדְנֶצַּ֖ר מֶ֣לֶךְ בָּבֶ֑ל וַ/יָּשׁ֧וּבוּ לִֽ/ירוּשָׁלִַ֛ם וְ/לִ/יהוּדָ֖ה אִ֥ישׁ לְ/עִירֽ/וֹ׀׃
STATEN

Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nebukadnézar, koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk tot zijn stad;

7
הַ/בָּאִ֣ים עִם זְרֻבָּבֶ֗ל יֵשׁ֡וּעַ נְחֶמְיָ֡ה עֲ֠זַרְיָה רַֽעַמְיָ֨ה נַחֲמָ֜נִי מָרְדֳּכַ֥י בִּלְשָׁ֛ן מִסְפֶּ֥רֶת בִּגְוַ֖י נְח֣וּם בַּעֲנָ֑ה מִסְפַּ֕ר אַנְשֵׁ֖י עַ֥ם יִשְׂרָאֵֽל־׃ס
STATEN

Dewelke kwamen met Zerubbábel, Jésua, Nehemía, Azária, Raämja, Nahamáni, Mórdechai, Bilsan, Mispéreth, Bigvai, Nehim en Báëna. Dit is het getal der mannen van het volk van Israël.

8
בְּנֵ֣י פַרְעֹ֔שׁ אַלְפַּ֕יִם מֵאָ֖ה וְ/שִׁבְעִ֥ים וּ/שְׁנָֽיִם׃ס
STATEN

De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;

9
בְּנֵ֣י שְׁפַטְיָ֔ה שְׁלֹ֥שׁ מֵא֖וֹת שִׁבְעִ֥ים וּ/שְׁנָֽיִם׃ס
STATEN

De kinderen van Sefátja, driehonderd twee en zeventig;

10
בְּנֵ֣י אָרַ֔ח שֵׁ֥שׁ מֵא֖וֹת חֲמִשִּׁ֥ים וּ/שְׁנָֽיִם׃ס
STATEN

De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;

11
בְּנֵֽי פַחַ֥ת מוֹאָ֛ב לִ/בְנֵ֥י יֵשׁ֖וּעַ וְ/יוֹאָ֑ב אַלְפַּ֕יִם וּ/שְׁמֹנֶ֥ה מֵא֖וֹת שְׁמֹנָ֥ה עָשָֽׂר־׃ס
STATEN

De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jésua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;

12
בְּנֵ֣י עֵילָ֔ם אֶ֕לֶף מָאתַ֖יִם חֲמִשִּׁ֥ים וְ/אַרְבָּעָֽה׃ס
STATEN

De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;

Op De Naamdragers

Blogs over Nehemia 7

Nog geen artikelen die specifiek naar Nehemia 7 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →