NEVIIM

Hosea 3

הוֹשֵׁעַ
Hoofdstukken (14)
1234567891011121314
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֜ה אֵלַ֗/י ע֚וֹד לֵ֣ךְ אֱֽהַב אִשָּׁ֔ה אֲהֻ֥בַת רֵ֖עַ וּ/מְנָאָ֑פֶת כְּ/אַהֲבַ֤ת יְהוָה֙ אֶת בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/הֵ֗ם פֹּנִים֙ אֶל אֱלֹהִ֣ים אֲחֵרִ֔ים וְ/אֹהֲבֵ֖י אֲשִׁישֵׁ֥י עֲנָבִֽים
STATEN

En de HEERE zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven.

2
וָ/אֶכְּרֶ֣/הָ לִּ֔/י בַּ/חֲמִשָּׁ֥ה עָשָׂ֖ר כָּ֑סֶף וְ/חֹ֥מֶר שְׂעֹרִ֖ים וְ/לֵ֥תֶךְ שְׂעֹרִֽים
STATEN

En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst.

3
וָ/אֹמַ֣ר אֵלֶ֗י/הָ יָמִ֤ים רַבִּים֙ תֵּ֣שְׁבִי לִ֔/י לֹ֣א תִזְנִ֔י וְ/לֹ֥א תִֽהְיִ֖י לְ/אִ֑ישׁ וְ/גַם אֲנִ֖י אֵלָֽיִ/ךְ
STATEN

En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch een anderen man geworden), en ik ook na u.

4
כִּ֣י יָמִ֣ים רַבִּ֗ים יֵֽשְׁבוּ֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֵ֥ין מֶ֨לֶךְ֙ וְ/אֵ֣ין שָׂ֔ר וְ/אֵ֥ין זֶ֖בַח וְ/אֵ֣ין מַצֵּבָ֑ה וְ/אֵ֥ין אֵפ֖וֹד וּ/תְרָפִֽים
STATEN

Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.

5
אַחַ֗ר יָשֻׁ֨בוּ֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל וּ/בִקְשׁוּ֙ אֶת יְהוָ֣ה אֱלֹהֵי/הֶ֔ם וְ/אֵ֖ת דָּוִ֣ד מַלְכָּ֑/ם וּ/פָחֲד֧וּ אֶל יְהוָ֛ה וְ/אֶל טוּב֖/וֹ בְּ/אַחֲרִ֥ית הַ/יָּמִֽים
STATEN

Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.