NEVIIM

Hosea 10

הוֹשֵׁעַ
Hoofdstukken (14)
1234567891011121314
Getuigen
Interlineair
1
גֶּ֤פֶן בּוֹקֵק֙ יִשְׂרָאֵ֔ל פְּרִ֖י יְשַׁוֶּה לּ֑/וֹ כְּ/רֹ֣ב לְ/פִרְי֗/וֹ הִרְבָּה֙ לַֽ/מִּזְבְּח֔וֹת כְּ/ט֣וֹב לְ/אַרְצ֔/וֹ הֵיטִ֖יבוּ מַצֵּבֽוֹת
STATEN

Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weder vrucht voor zich; maar naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid zijns lands, hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt.

2
חָלַ֥ק לִבָּ֖/ם עַתָּ֣ה יֶאְשָׁ֑מוּ ה֚וּא יַעֲרֹ֣ף מִזְבְּחוֹתָ֔/ם יְשֹׁדֵ֖ד מַצֵּבוֹתָֽ/ם
STATEN

Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; Hij zal hun altaren doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden verstoren.

3
כִּ֤י עַתָּה֙ יֹֽאמְר֔וּ אֵ֥ין מֶ֖לֶךְ לָ֑/נוּ כִּ֣י לֹ֤א יָרֵ֨אנוּ֙ אֶת יְהֹוָ֔ה וְ/הַ/מֶּ֖לֶךְ מַה יַּֽעֲשֶׂה לָּֽ/נוּ
STATEN

Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben den HEERE niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?

4
דִּבְּר֣וּ דְבָרִ֔ים אָל֥וֹת שָׁ֖וְא כָּרֹ֣ת בְּרִ֑ית וּ/פָרַ֤ח כָּ/רֹאשׁ֙ מִשְׁפָּ֔ט עַ֖ל תַּלְמֵ֥י שָׂדָֽי
STATEN

Zij hebben woorden gesproken, valselijk zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren der velden.

5
לְ/עֶגְלוֹת֙ בֵּ֣ית אָ֔וֶן יָג֖וּרוּ שְׁכַ֣ן שֹֽׁמְר֑וֹן כִּי אָבַ֨ל עָלָ֜י/ו עַמּ֗/וֹ וּ/כְמָרָי/ו֙ עָלָ֣י/ו יָגִ֔ילוּ עַל כְּבוֹד֖/וֹ כִּֽי גָלָ֥ה מִמֶּֽ/נּוּ
STATEN

De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-Aven; want zijn volk zal over hetzelve treuren, mitsgaders zijn Chemárim (die zich over hetzelve verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij van hetzelve is weggevaren.

6
גַּם אוֹת/וֹ֙ לְ/אַשּׁ֣וּר יוּבָ֔ל מִנְחָ֖ה לְ/מֶ֣לֶךְ יָרֵ֑ב בָּשְׁנָה֙ אֶפְרַ֣יִם יִקָּ֔ח וְ/יֵב֥וֹשׁ יִשְׂרָאֵ֖ל מֵ/עֲצָתֽ/וֹ
STATEN

Ja, datzelve zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor den koning Jareb; Efraïm zal schaamte behalen, en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag.

7
נִדְמֶ֥ה שֹׁמְר֖וֹן מַלְכָּ֑/הּ כְּ/קֶ֖צֶף עַל פְּנֵי מָֽיִם
STATEN

De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water.

8
וְ/נִשְׁמְד֞וּ בָּמ֣וֹת אָ֗וֶן חַטַּאת֙ יִשְׂרָאֵ֔ל ק֣וֹץ וְ/דַרְדַּ֔ר יַעֲלֶ֖ה עַל מִזְבְּחוֹתָ֑/ם וְ/אָמְר֤וּ לֶֽ/הָרִים֙ כַּסּ֔וּ/נוּ וְ/לַ/גְּבָע֖וֹת נִפְל֥וּ עָלֵֽי/נוּ
STATEN

En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!

9
מִ/ימֵי֙ הַ/גִּבְעָ֔ה חָטָ֖אתָ יִשְׂרָאֵ֑ל שָׁ֣ם עָמָ֔דוּ לֹֽא תַשִּׂיגֵ֧/ם בַּ/גִּבְעָ֛ה מִלְחָמָ֖ה עַל בְּנֵ֥י עַֽלְוָֽה
STATEN

Sinds de dagen van Gíbea, hebt gij gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gíbea, tegen de kinderen der verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen.

10
בְּ/אַוָּתִ֖/י וְ/אֶסֳּרֵ֑/ם וְ/אֻסְּפ֤וּ עֲלֵי/הֶם֙ עַמִּ֔ים בְּ/אָסְרָ֖/ם לִ/שְׁתֵּ֥י עינת/ם עוֹנֹתָֽ/ם
STATEN

Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen henlieden verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren.

11
וְ/אֶפְרַ֜יִם עֶגְלָ֤ה מְלֻמָּדָה֙ אֹהַ֣בְתִּי לָ/ד֔וּשׁ וַ/אֲנִ֣י עָבַ֔רְתִּי עַל ט֖וּב צַוָּארָ֑/הּ אַרְכִּ֤יב אֶפְרַ֨יִם֙ יַחֲר֣וֹשׁ יְהוּדָ֔ה יְשַׂדֶּד ל֖/וֹ יַעֲקֹֽב
STATEN

Dewijl Efraïm een vaars is, gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen.

12
זִרְע֨וּ לָ/כֶ֤ם לִ/צְדָקָה֙ קִצְר֣וּ לְ/פִי חֶ֔סֶד נִ֥ירוּ לָ/כֶ֖ם נִ֑יר וְ/עֵת֙ לִ/דְר֣וֹשׁ אֶת יְהוָ֔ה עַד יָב֕וֹא וְ/יֹרֶ֥ה צֶ֖דֶק לָ/כֶֽם
STATEN

Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; dewijl het tijd is den HEERE te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene.

13
חֲרַשְׁתֶּם רֶ֛שַׁע עַוְלָ֥תָ/ה קְצַרְתֶּ֖ם אֲכַלְתֶּ֣ם פְּרִי כָ֑חַשׁ כִּֽי בָטַ֥חְתָּ בְ/דַרְכְּ/ךָ֖ בְּ/רֹ֥ב גִּבּוֹרֶֽי/ךָ
STATEN

Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden.

14
וְ/קָ֣אם שָׁאוֹן֮ בְּ/עַמֶּ/ךָ֒ וְ/כָל מִבְצָרֶ֣י/ךָ יוּשַּׁ֔ד כְּ/שֹׁ֧ד שַֽׁלְמַ֛ן בֵּ֥ית אַֽרְבֵ֖אל בְּ/י֣וֹם מִלְחָמָ֑ה אֵ֥ם עַל בָּנִ֖ים רֻטָּֽשָׁה
STATEN

Daarom zal er een groot gedruis ontstaan onder uw volken, en al uw vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-Arbel verstoorde ten dage des krijgs; de moeder werd er verpletterd met de zonen.

15
כָּ֗כָה עָשָׂ֤ה לָ/כֶם֙ בֵּֽית אֵ֔ל מִ/פְּנֵ֖י רָעַ֣ת רָֽעַתְ/כֶ֑ם בַּ/שַּׁ֕חַר נִדְמֹ֥ה נִדְמָ֖ה מֶ֥לֶךְ יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Alzo heeft Beth-El ulieden gedaan, vanwege de boosheid uwer boosheid; Israëls koning is in den dageraad ten enenmale uitgeroeid.