NEVIIM

Hosea 6

הוֹשֵׁעַ
Hoofdstukken (14)
1234567891011121314
Getuigen
Interlineair
1
לְכוּ֙ וְ/נָשׁ֣וּבָה אֶל יְהוָ֔ה כִּ֛י ה֥וּא טָרָ֖ף וְ/יִרְפָּאֵ֑/נוּ יַ֖ךְ וְ/יַחְבְּשֵֽׁ/נוּ
STATEN

Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.

2
יְחַיֵּ֖/נוּ מִ/יֹּמָ֑יִם בַּ/יּוֹם֙ הַ/שְּׁלִישִׁ֔י יְקִמֵ֖/נוּ וְ/נִחְיֶ֥ה לְ/פָנָֽי/ו
STATEN

Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.

3
וְ/נֵדְעָ֣ה נִרְדְּפָ֗ה לָ/דַ֨עַת֙ אֶת יְהוָ֔ה כְּ/שַׁ֖חַר נָכ֣וֹן מֽוֹצָא֑/וֹ וְ/יָב֤וֹא כַ/גֶּ֨שֶׁם֙ לָ֔/נוּ כְּ/מַלְק֖וֹשׁ י֥וֹרֶה אָֽרֶץ
STATEN

Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den HEERE te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands.

4
מָ֤ה אֶֽעֱשֶׂה לְּ/ךָ֙ אֶפְרַ֔יִם מָ֥ה אֶעֱשֶׂה לְּ/ךָ֖ יְהוּדָ֑ה וְ/חַסְדְּ/כֶם֙ כַּֽ/עֲנַן בֹּ֔קֶר וְ/כַ/טַּ֖ל מַשְׁכִּ֥ים הֹלֵֽךְ
STATEN

Wat zal Ik u doen, o Efraïm! wat zal Ik u doen, o Juda! dewijl uw weldadigheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die henengaat.

5
עַל כֵּ֗ן חָצַ֨בְתִּי֙ בַּ/נְּבִיאִ֔ים הֲרַגְתִּ֖י/ם בְּ/אִמְרֵי פִ֑/י וּ/מִשְׁפָּטֶ֖י/ךָ א֥וֹר יֵצֵֽא
STATEN

Daarom heb Ik hen behouwen door de profeten; Ik heb ze gedood door de redenen Mijns monds; en uw oordelen zullen voortkomen aan het licht.

6
כִּ֛י חֶ֥סֶד חָפַ֖צְתִּי וְ/לֹא זָ֑בַח וְ/דַ֥עַת אֱלֹהִ֖ים מֵ/עֹלֽוֹת
STATEN

Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis Gods, meer dan tot brandofferen.

7
וְ/הֵ֕מָּה כְּ/אָדָ֖ם עָבְר֣וּ בְרִ֑ית שָׁ֖ם בָּ֥גְדוּ בִֽ/י
STATEN

Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij trouwelooslijk tegen Mij gehandeld.

8
גִּלְעָ֕ד קִרְיַ֖ת פֹּ֣עֲלֵי אָ֑וֶן עֲקֻבָּ֖ה מִ/דָּֽם
STATEN

Gilead is een stad van werkers der ongerechtigheid; zij is betreden van bloed.

9
וּ/כְ/חַכֵּ֨י אִ֜ישׁ גְּדוּדִ֗ים חֶ֚בֶר כֹּֽהֲנִ֔ים דֶּ֖רֶךְ יְרַצְּחוּ שֶׁ֑כְמָ/ה כִּ֥י זִמָּ֖ה עָשֽׂוּ
STATEN

Gelijk de benden der straatschenders op iemand wachten, alzo is het gezelschap der priesteren; zij moorden op den weg naar Sichem, waarlijk, zij doen schandelijke daden.

10
בְּ/בֵית֙ יִשְׂרָאֵ֔ל רָאִ֖יתִי שעריריה שָׁ֚ם זְנ֣וּת לְ/אֶפְרַ֔יִם נִטְמָ֖א יִשְׂרָאֵֽל שַׁעֲרֽוּרִיָּ֑ה
STATEN

Ik zie een afschuwelijke zaak in het huis Israëls; aldaar is Efraïms hoererij, Israël is verontreinigd.

11
גַּם יְהוּדָ֕ה שָׁ֥ת קָצִ֖יר לָ֑/ךְ בְּ/שׁוּבִ֖/י שְׁב֥וּת עַמִּֽ/י
STATEN

Ook heeft hij u, o Juda! een oogst gezet, als Ik de gevangenen Mijns volks wederbracht.