EVANGELIES

Johannes 12

Κατὰ Ἰωάννην
Hoofdstukken (21)
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
1
οουνιησουςπροεξημερωντουπασχαηλθενειςβηθανιανοπουηνλαζαροςοτεθνηκωςονηγειρενεκνεκρων
STATEN

Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha te Bethanië, daar Lázarus was, die gestorven was geweest, welken Hij opgewekt had uit de doden.

2
εποιησανουναυτωδειπνονεκεικαιημαρθαδιηκονειοδελαζαροςειςηντωνσυνανακειμενωναυτω
STATEN

Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lázarus was een van degenen, die met Hem aanzaten.

3
ηουνμαριαλαβουσαλιτρανμυρουναρδουπιστικηςπολυτιμουηλειqεντουςποδαςτουιησουκαιεξεμαξενταιςθριξιναυτηςτουςποδαςαυτουηδεοικιαεπληρωθηεκτηςοσμηςτουμυρου
STATEN

Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalsten, zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haren Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalf.

4
λεγειουνειςεκτωνμαθητωναυτουιουδαςσιμωνοςισκαριωτηςομελλωναυτονπαραδιδοναι
STATEN

Zo zeide dan een van Zijn discipelen, namelijk Judas, Simons zoon, Iskáriot, die Hem verraden zou:

5
διατιτουτοτομυρονουκεπραθητριακοσιωνδηναριωνκαιεδοθηπτωχοις
STATEN

Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen, en den armen gegeven?

6
ειπενδετουτοουχοτιπεριτωνπτωχωνεμελεναυτωαλλαοτικλεπτηςηνκαιτογλωσσοκομονειχενκαιταβαλλομεναεβασταζεν
STATEN

En dit zeide hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd.

7
ειπενουνοιησουςαφεςαυτηνειςτηνημεραντουενταφιασμουμουτετηρηκεναυτο
STATEN

Jezus dan zeide: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen den dag Mijner begrafenis.

8
τουςπτωχουςγαρπαντοτεεχετεμεθεαυτωνεμεδεουπαντοτεεχετε
STATEN

Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.

9
εγνωουνοχλοςπολυςεκτωνιουδαιωνοτιεκειεστινκαιηλθονουδιατονιησουνμονοναλλινακαιτονλαζαρονιδωσινονηγειρενεκνεκρων
STATEN

Een grote schare dan der Joden verstond, dat Hij aldaar was; en zij kwamen, niet alleen om Jezus' wil, maar opdat zij ook Lázarus zouden zien, dien Hij uit de doden opgewekt had.

10
εβουλευσαντοδεοιαρχιερειςινακαιτονλαζαροναποκτεινωσιν
STATEN

En de overpriesters beraadslaagden, dat zij ook Lázarus doden zouden.

11
οτιπολλοιδιαυτονυπηγοντωνιουδαιωνκαιεπιστευονειςτονιησουν
STATEN

Want velen van de Joden gingen heen om zijnentwil, en geloofden in Jezus.

12
τηεπαυριονοχλοςπολυςοελθωνειςτηνεορτηνακουσαντεςοτιερχεταιοιησουςειςιεροσολυμα
STATEN

Des anderen daags, een grote schare, die tot het feest gekomen was, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam,

13
ελαβονταβαιατωνφοινικωνκαιεξηλθονειςυπαντησιναυτωκαιεκραζονωσανναευλογημενοςοερχομενοςενονοματικυριουοβασιλευςτουισραηλ
STATEN

Namen de takken van palmbomen, en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren, Hij, Die is de Koning Israëls!

14
ευρωνδεοιησουςοναριονεκαθισενεπαυτοκαθωςεστινγεγραμμενον
STATEN

En Jezus vond een jongen ezel, en zat daarop, gelijk geschreven is:

15
μηφοβουθυγατερσιωνιδουοβασιλευςσουερχεταικαθημενοςεπιπωλονονου
STATEN

Vrees niet, gij dochter Sions, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin.

16
ταυταδεουκεγνωσανοιμαθηταιαυτουτοπρωτοναλλοτεεδοξασθηοιησουςτοτεεμνησθησανοτιταυταηνεπαυτωγεγραμμενακαιταυταεποιησαναυτω
STATEN

Doch dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden.

17
εμαρτυρειουνοοχλοςοωνμεταυτουοτετονλαζαρονεφωνησενεκτουμνημειουκαιηγειρεναυτονεκνεκρων
STATEN

De schare dan, die met Hem was, getuigde dat Hij Lázarus uit het graf geroepen, en hem uit de doden opgewekt had.

18
διατουτοκαιυπηντησεναυτωοοχλοςοτιηκουσεντουτοαυτονπεποιηκεναιτοσημειον
STATEN

Daarom ging ook de schare Hem tegemoet, overmits zij gehoord had, dat Hij dat teken gedaan had.

19
οιουνφαρισαιοιειπονπροςεαυτουςθεωρειτεοτιουκωφελειτεουδενιδεοκοσμοςοπισωαυτουαπηλθεν
STATEN

De farizeeën dan zeiden onder elkander: Ziet gij wel, dat gij gans niet vordert? Ziet, de gehele wereld gaat Hem na.

20
ησανδετινεςελληνεςεκτωναναβαινοντωνιναπροσκυνησωσινεντηεορτη
STATEN

En er waren sommige Grieken uit degenen, die opgekomen waren, opdat zij op het feest zouden aanbidden;

21
ουτοιουνπροσηλθονφιλιππωτωαποβηθσαιδατηςγαλιλαιαςκαιηρωτωναυτονλεγοντεςκυριεθελομεντονιησουνιδειν
STATEN

Dezen dan gingen tot Filippus, die van Bethsáïda in Galiléa was, en baden hem, zeggende: Heere, wij wilden Jezus wel zien.

22
ερχεταιφιλιπποςκαιλεγειτωανδρεακαιπαλινανδρεαςκαιφιλιπποςλεγουσιντωιησου
STATEN

Filippus kwam en zeide het Andréas; en Andréas en Filippus wederom zeiden het Jezus.

23
οδειησουςαπεκρινατοαυτοιςλεγωνεληλυθενηωραιναδοξασθηουιοςτουανθρωπου
STATEN

Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden.

24
αμηναμηνλεγωυμινεανμηοκοκκοςτουσιτουπεσωνειςτηνγηναποθανηαυτοςμονοςμενειεανδεαποθανηπολυνκαρπονφερει
STATEN

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.

25
οφιλωντηνqυχηναυτουαπολεσειαυτηνκαιομισωντηνqυχηναυτουεντωκοσμωτουτωειςζωηναιωνιονφυλαξειαυτην
STATEN

Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.

26
εανεμοιδιακονητιςεμοιακολουθειτωκαιοπουειμιεγωεκεικαιοδιακονοςοεμοςεσταικαιεαντιςεμοιδιακονητιμησειαυτονοπατηρ
STATEN

Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren.

27
νυνηqυχημουτεταρακταικαιτιειπωπατερσωσονμεεκτηςωραςταυτηςαλλαδιατουτοηλθονειςτηνωρανταυτην
STATEN

Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen.

28
πατερδοξασονσουτοονομαηλθενουνφωνηεκτουουρανουκαιεδοξασακαιπαλινδοξασω
STATEN

Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken.

29
οουνοχλοςοεστωςκαιακουσαςελεγενβροντηνγεγονεναιαλλοιελεγοναγγελοςαυτωλελαληκεν
STATEN

De schare dan, die daar stond, en dit hoorde, zeide, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.

30
απεκριθηοιησουςκαιειπενουδιεμεαυτηηφωνηγεγονεναλλαδιυμας
STATEN

Jezus antwoordde en zeide: Niet om Mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil.

31
νυνκρισιςεστιντουκοσμουτουτουνυνοαρχωντουκοσμουτουτουεκβληθησεταιεξω
STATEN

Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden.

32
καγωεανυqωθωεκτηςγηςπανταςελκυσωπροςεμαυτον
STATEN

En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.

33
τουτοδεελεγενσημαινωνποιωθανατωημελλεναποθνησκειν
STATEN

(En dit zeide Hij, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zou.)

34
απεκριθηαυτωοοχλοςημειςηκουσαμενεκτουνομουοτιοχριστοςμενειειςτοναιωνακαιπωςσυλεγειςοτιδειυqωθηναιτονυιοντουανθρωπουτιςεστινουτοςουιοςτουανθρωπου
STATEN

De schare antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt Gij, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?

35
ειπενουναυτοιςοιησουςετιμικρονχρονοντοφωςμεθυμωνεστινπεριπατειτεεωςτοφωςεχετειναμησκοτιαυμαςκαταλαβηκαιοπεριπατωνεντησκοτιαουκοιδενπουυπαγει
STATEN

Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.

36
εωςτοφωςεχετεπιστευετεειςτοφωςιναυιοιφωτοςγενησθεταυταελαλησενοιησουςκαιαπελθωνεκρυβηαπαυτων
STATEN

Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verborg Hij Zich van hen.

37
τοσαυταδεαυτουσημειαπεποιηκοτοςεμπροσθεναυτωνουκεπιστευονειςαυτον
STATEN

En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet;

38
ιναολογοςησαιουτουπροφητουπληρωθηονειπενκυριετιςεπιστευσεντηακοηημωνκαιοβραχιωνκυριουτινιαπεκαλυφθη
STATEN

Opdat het woord van Jesaja, den profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard?

39
διατουτοουκηδυναντοπιστευεινοτιπαλινειπενησαιας
STATEN

Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft:

40
τετυφλωκεναυτωντουςοφθαλμουςκαιπεπωρωκεναυτωντηνκαρδιανιναμηιδωσιντοιςοφθαλμοιςκαινοησωσιντηκαρδιακαιεπιστραφωσινκαιιασωμαιαυτους
STATEN

Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze.

41
ταυταειπενησαιαςοτεειδεντηνδοξαναυτουκαιελαλησενπεριαυτου
STATEN

Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.

42
ομωςμεντοικαιεκτωναρχοντωνπολλοιεπιστευσανειςαυτοναλλαδιατουςφαρισαιουςουχωμολογουνιναμηαποσυναγωγοιγενωνται
STATEN

Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der farizeeën wil beleden zij het niet; opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden.

43
ηγαπησανγαρτηνδοξαντωνανθρωπωνμαλλονηπερτηνδοξαντουθεου
STATEN

Want zij hadden de eer der mensen lief, meer dan de eer van God.

44
ιησουςδεεκραξενκαιειπενοπιστευωνειςεμεουπιστευειειςεμεαλλειςτονπεμqανταμε
STATEN

En Jezus riep, en zeide: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Dengene, Die Mij gezonden heeft.

45
καιοθεωρωνεμεθεωρειτονπεμqανταμε
STATEN

En die Mij ziet, die ziet Dengene, Die Mij gezonden heeft.

46
εγωφωςειςτονκοσμονεληλυθαιναπαςοπιστευωνειςεμεεντησκοτιαμημεινη
STATEN

Ik ben een Licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve.

47
καιεαντιςμουακουσητωνρηματωνκαιμηπιστευσηεγωουκρινωαυτονουγαρηλθονινακρινωτονκοσμοναλλινασωσωτονκοσμον
STATEN

En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make.

48
οαθετωνεμεκαιμηλαμβανωνταρηματαμουεχειτονκρινοντααυτονολογοςονελαλησαεκεινοςκρινειαυτονεντηεσχατηημερα
STATEN

Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage.

49
οτιεγωεξεμαυτουουκελαλησααλλοπεμqαςμεπατηραυτοςμοιεντοληνεδωκεντιειπωκαιτιλαλησω
STATEN

Want Ik heb uit Mijzelven niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal, en wat Ik spreken zal.

50
καιοιδαοτιηεντοληαυτουζωηαιωνιοςεστιναουνλαλωεγωκαθωςειρηκενμοιοπατηρουτωςλαλω
STATEN

En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen Ik dan spreek, dat spreek Ik alzo, gelijk Mij de Vader gezegd heeft.