EVANGELIES

Johannes 5

Κατὰ Ἰωάννην
Hoofdstukken (21)
123456789101112131415161718192021
Getuigen
Interlineair
1
μεταταυταηνεορτητωνιουδαιωνκαιανεβηοιησουςειςιεροσολυμα
STATEN

Na dezen was een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.

2
εστινδεεντοιςιεροσολυμοιςεπιτηπροβατικηκολυμβηθραηεπιλεγομενηεβραιστιβηθεσδαπεντεστοαςεχουσα
STATEN

En er is te Jeruzalem aan de Schaapspoort, een badwater, hetwelk in het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen.

3
ενταυταιςκατεκειτοπληθοςπολυτωνασθενουντωντυφλωνχωλωνξηρωνεκδεχομενωντηντουυδατοςκινησιν
STATEN

In dezelve lag een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters.

4
αγγελοςγαρκατακαιρονκατεβαινενεντηκολυμβηθρακαιεταρασσεντουδωροουνπρωτοςεμβαςμετατηνταραχηντουυδατοςυγιηςεγινετοωδηποτεκατειχετονοσηματι
STATEN

Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was.

5
ηνδετιςανθρωποςεκειτριακοντακαιοκτωετηεχωνεντηασθενεια
STATEN

En aldaar was een zeker mens, die acht en dertig jaren krank gelegen had.

6
τουτονιδωνοιησουςκατακειμενονκαιγνουςοτιπολυνηδηχρονονεχειλεγειαυτωθελειςυγιηςγενεσθαι
STATEN

Jezus, ziende dezen liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?

7
απεκριθηαυτωοασθενωνκυριεανθρωπονουκεχωιναοτανταραχθητουδωρβαλλημεειςτηνκολυμβηθρανενωδεερχομαιεγωαλλοςπροεμουκαταβαινει
STATEN

De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neder.

8
λεγειαυτωοιησουςεγειραιαροντονκραββατονσουκαιπεριπατει
STATEN

Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op, en wandel.

9
καιευθεωςεγενετουγιηςοανθρωποςκαιηρεντονκραββατοναυτουκαιπεριεπατειηνδεσαββατονενεκεινητηημερα
STATEN

En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op denzelven dag.

10
ελεγονουνοιιουδαιοιτωτεθεραπευμενωσαββατονεστινουκεξεστινσοιαραιτονκραββατον
STATEN

De Joden zeiden dan tot dengene, die genezen was: Het is sabbat; het is u niet geoorloofd het beddeken te dragen.

11
απεκριθηαυτοιςοποιησαςμευγιηεκεινοςμοιειπεναροντονκραββατονσουκαιπεριπατει
STATEN

Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op, en wandel.

12
ηρωτησανουναυτοντιςεστινοανθρωποςοειπωνσοιαροντονκραββατονσουκαιπεριπατει
STATEN

Zij vraagden hem dan: Wie is de Mens, Die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op, en wandel?

13
οδειαθειςουκηδειτιςεστινογαριησουςεξενευσενοχλουοντοςεντωτοπω
STATEN

En die gezond gemaakt was, wist niet, Wie Hij was; want Jezus was ontweken, alzo er een grote schare in die plaats was.

14
μεταταυταευρισκειαυτονοιησουςεντωιερωκαιειπεναυτωιδευγιηςγεγοναςμηκετιαμαρτανειναμηχειροντισοιγενηται
STATEN

Daarna vond hem Jezus in den tempel, en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.

15
απηλθενοανθρωποςκαιανηγγειλεντοιςιουδαιοιςοτιιησουςεστινοποιησαςαυτονυγιη
STATEN

De mens ging heen, en boodschapte den Joden, dat het Jezus was, Die hem gezond gemaakt had.

16
καιδιατουτοεδιωκοντονιησουνοιιουδαιοικαιεζητουναυτοναποκτειναιοτιταυταεποιειενσαββατω
STATEN

En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten Hem te doden, omdat Hij deze dingen op den sabbat deed.

17
οδειησουςαπεκρινατοαυτοιςοπατηρμουεωςαρτιεργαζεταικαγωεργαζομαι
STATEN

En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook.

18
διατουτοουνμαλλονεζητουναυτονοιιουδαιοιαποκτειναιοτιουμονονελυεντοσαββατοναλλακαιπατεραιδιονελεγεντονθεονισονεαυτονποιωντωθεω
STATEN

Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide, dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelven Gode evengelijk makende.

19
απεκρινατοουνοιησουςκαιειπεναυτοιςαμηναμηνλεγωυμινουδυναταιουιοςποιειναφεαυτουουδενεανμητιβλεπητονπατεραποιουντααγαρανεκεινοςποιηταυτακαιουιοςομοιωςποιει
STATEN

Jezus dan antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelven doen, tenzij Hij den Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks.

20
ογαρπατηρφιλειτονυιονκαιπανταδεικνυσιναυτωααυτοςποιεικαιμειζονατουτωνδειξειαυτωεργαιναυμειςθαυμαζητε
STATEN

Want de Vader heeft den Zoon lief, en toont Hem alles, wat Hij doet; en Hij zal Hem groter werken tonen dan deze, opdat gij u verwondert.

21
ωσπεργαροπατηρεγειρειτουςνεκρουςκαιζωοποιειουτωςκαιουιοςουςθελειζωοποιει
STATEN

Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, alzo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil.

22
ουδεγαροπατηρκρινειουδενααλλατηνκρισινπασανδεδωκεντωυιω
STATEN

Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven;

23
ιναπαντεςτιμωσιντονυιονκαθωςτιμωσιντονπατεραομητιμωντονυιονουτιματονπατερατονπεμqαντααυτον
STATEN

Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, Die Hem gezonden heeft.

24
αμηναμηνλεγωυμινοτιοτονλογονμουακουωνκαιπιστευωντωπεμqαντιμεεχειζωηναιωνιονκαιειςκρισινουκερχεταιαλλαμεταβεβηκενεκτουθανατουειςτηνζωην
STATEN

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.

25
αμηναμηνλεγωυμινοτιερχεταιωρακαινυνεστινοτεοινεκροιακουσονταιτηςφωνηςτουυιουτουθεουκαιοιακουσαντεςζησονται
STATEN

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.

26
ωσπεργαροπατηρεχειζωηνενεαυτωουτωςεδωκενκαιτωυιωζωηνεχεινενεαυτω
STATEN

Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelven;

27
καιεξουσιανεδωκεναυτωκαικρισινποιεινοτιυιοςανθρωπουεστιν
STATEN

En heeft Hem macht gegeven, ook gericht te houden, omdat Hij des mensen Zoon is.

28
μηθαυμαζετετουτοοτιερχεταιωραενηπαντεςοιεντοιςμνημειοιςακουσονταιτηςφωνηςαυτου
STATEN

Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen;

29
καιεκπορευσονταιοιτααγαθαποιησαντεςειςαναστασινζωηςοιδεταφαυλαπραξαντεςειςαναστασινκρισεως
STATEN

En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.

30
ουδυναμαιεγωποιειναπεμαυτουουδενκαθωςακουωκρινωκαιηκρισιςηεμηδικαιαεστινοτιουζητωτοθεληματοεμοναλλατοθεληματουπεμqαντοςμεπατρος
STATEN

Ik kan van Mijzelven niets doen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijn wil, maar den wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft.

31
εανεγωμαρτυρωπεριεμαυτουημαρτυριαμουουκεστιναληθης
STATEN

Indien Ik van Mijzelven getuig, Mijn getuigenis is niet waarachtig.

32
αλλοςεστινομαρτυρωνπεριεμουκαιοιδαοτιαληθηςεστινημαρτυριαηνμαρτυρειπεριεμου
STATEN

Er is een ander, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat de getuigenis, welke hij van Mij getuigt, waarachtig is.

33
υμειςαπεσταλκατεπροςιωαννηνκαιμεμαρτυρηκεντηαληθεια
STATEN

Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven.

34
εγωδεουπαραανθρωπουτηνμαρτυριανλαμβανωαλλαταυταλεγωιναυμειςσωθητε
STATEN

Doch Ik neem geen getuigenis van een mens; maar dit zeg Ik, opdat gijlieden zoudt behouden worden.

35
εκεινοςηνολυχνοςοκαιομενοςκαιφαινωνυμειςδεηθελησατεαγαλλιασθηναιπροςωρανεντωφωτιαυτου
STATEN

Hij was een brandende en lichtende kaars; en gij hebt ulieden voor een korten tijd in zijn licht willen verheugen.

36
εγωδεεχωτηνμαρτυριανμειζωτουιωαννουταγαρεργααεδωκενμοιοπατηρινατελειωσωαυτααυταταεργααεγωποιωμαρτυρειπεριεμουοτιοπατηρμεαπεσταλκεν
STATEN

Maar Ik heb een getuigenis meerder, dan die van Johannes; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft, om die te volbrengen, dezelve werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat Mij de Vader gezonden heeft.

37
καιοπεμqαςμεπατηραυτοςμεμαρτυρηκενπεριεμουουτεφωνηναυτουακηκοατεπωποτεουτεειδοςαυτουεωρακατε
STATEN

En de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van Mij getuigd. Gij hebt noch Zijn stem ooit gehoord, noch Zijn gedaante gezien.

38
καιτονλογοναυτουουκεχετεμενονταενυμινοτιοναπεστειλενεκεινοςτουτωυμειςουπιστευετε
STATEN

En Zijn woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft Dien niet, Dien Hij gezonden heeft.

39
ερευνατεταςγραφαςοτιυμειςδοκειτεεναυταιςζωηναιωνιονεχεινκαιεκειναιεισιναιμαρτυρουσαιπεριεμου
STATEN

Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.

40
καιουθελετεελθεινπροςμειναζωηνεχητε
STATEN

En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.

41
δοξανπαραανθρωπωνουλαμβανω
STATEN

Ik neem geen eer van mensen;

42
αλλεγνωκαυμαςοτιτηναγαπηντουθεουουκεχετεενεαυτοις
STATEN

Maar Ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in uzelven niet hebt.

43
εγωεληλυθαεντωονοματιτουπατροςμουκαιουλαμβανετεμεεαναλλοςελθηεντωονοματιτωιδιωεκεινονληqεσθε
STATEN

Ik ben gekomen in den Naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen.

44
πωςδυνασθευμειςπιστευσαιδοξανπαρααλληλωνλαμβανοντεςκαιτηνδοξαντηνπαρατουμονουθεουουζητειτε
STATEN

Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt?

45
μηδοκειτεοτιεγωκατηγορησωυμωνπροςτονπατεραεστινοκατηγορωνυμωνμωσηςειςονυμειςηλπικατε
STATEN

Meent niet, dat Ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt, is Mozes, op welken gij gehoopt hebt.

46
ειγαρεπιστευετεμωσηεπιστευετεανεμοιπεριγαρεμουεκεινοςεγραqεν
STATEN

Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven.

47
ειδετοιςεκεινουγραμμασινουπιστευετεπωςτοιςεμοιςρημασινπιστευσετε
STATEN

Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?